|
Herman Bogaert evoceert de echte Willem Elsschot
Te midden, van het drukbezette Elsschot-landschap, dat in het jaar 2000, veertig jaar na het overlijden van Alfons De Ridder, op 31 mei 1960, door het Willem Elsschot Genootschap werd opgebouwd en in 2001 a.h.w. verder ‘golft’, brengt voordrachtkunstenaar Herman Bogaert een uitschieter van formaat, sobere en stijlvol. In ‘Ik, Willem Elsschot’ kruipt hij in de huid van diens héle persoonlijkheid: van de mens, de gevoelsmens –vader en grootvader- en de zakenman Alfons De Ridder, en van de schrijver, die de wereld nuchter, ironisch, sarcastisch, observeert, maar daarbij zijn afkeer voor het kleine, het zelfzuchtige in de mensen én in zichzelf, niet onder stoelen of banken steekt. De felle spot en satire van zijn Noord-Nederlandse vriend Jan Greshoff trad Elsschot hartstochtelijk bij in een gedicht uit 1933: “Ik luister zwijgend naar die stem / die hijgt en hees is, maar vol klem / die in mineur zingt bij ’t verwensen / van ’t alledaagse in de mensen.”
Dat alledaagse en stroeve, dat in theaterevocaties van kunstenaars niet genoeg wordt vermeden, heeft Bogaert geweerd. Als ondertitel voor zijn voorstelling koos hij een uitspraak van Elsschot: “Ik ben toch op zoek naar dingen die niet vanzelf spreken.” Die Elsschottiaanse geest – veel meer dus dan de bekende “nuchtere en sarcastisch-cynische” benadering van gebeurtenissen, mensen en samenleving, zogezegd “steeds vanuit eigen ervaringen” schraagt deze voorstelling. Dat Elsschot “geen fantasie” zou hebben gehad, zoals sommigen beweren, is onjuist. Zijn gedichten, o.a. het voor nationalisten en non-conformisten toonaangevende “Borms” – dat Bogaert wel vermeldt, maar jammer genoeg niet voordraagt – en “Van der Lubbe” én verscheidene warmhartige fragmenten uit zijn romans tonen dat aan. In zijn reeks momentopnamen, die de mens De Ridder én de schrijver Elsschot hoorbaar en zichtbaar maken – het nette maatpak, het ondervestje, het snorretje, de hoed en de maquillage laten de acteur goed op de schrijver lijken – laat Herman Bogaert voortdurend de “ikken” wisselen: zichzelf, Alfons De Ridder en Willem Elsschot. Dat maakt deze evocatie zo boeiend!
Een acteur, die zich, alleen, aan één uur en drie kwartier lange monoloog waagt, en dan nog over een complexe én non-conformistische figuur als Willem Elsschot, terwijl de hedendaagse toneel- en tv-kijker een vluchtige wisseling van gezichten gewoon is, is een kei in zijn vak.
Elsschots zelfspot is nooit ver, noch in de gekozen fragmenten, noch in de stem en de vertolking van Bogaert. Hij laat De Ridder zeggen: “Ik word kapitalist” en hij vertelt over diens wijngelagen in de kelder van de Lemméstraat, met o.a. de kunstenaar Vaes, bankier Maurits Naesens en priester-letterkundige Albert Westerlinck. Nog andere minder bekende feiten en situaties uit De Ridders leven worden opgedist. De unieke gevoelsmens én de geharde “lijmer” wisselen elkaar af. Bogaert doorspekt het leven van Elsschot met brieven, één fragment uit “Kaas” – die de walg van de auteur voor de ‘commerce’ én voor de “lijmer” in hem symboliseert -, twee gevoelige stukken uit “Tsjip” – kleinzoon Jan Maniewski – en een achttal gedichten, o.a. voor zijn moeder en voor Fine Scheurwegen, zijn vrouw. We krijgen een spiegel van Alfons De Ridder – Willem Elsschot voor onze ogen, die de toeschouwers veel meer leert over deze zeldzame “Prometheus van de moderne Nederlandse letterkunde” dan zij weten of vermoeden.
BREDERODE - ’t Pallieterke (9 mei 2001)
|