Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

DEZE OUDE BITTERHEID

 
Zoek

 

Boris Rousseeuw

 

tmuzet
februari 1982
jaargang 5, No. 42


DEZE OUDE BITTERHEID
Het Willem Elsschotjaar

Met relatief weinig getoeter in de letteren begon het Elsschotjaar. Waarschijnlijk vraagt men zich tussen de coulissen af wat men in ’s hemelsnaam nog kan gaan uit- of bovenhalen over zo’n klein oeuvre en gesloten man. De eerste “manifestaties” zijn dan ook erg: zielig anekdotisme van minister sic Calewaert en hulpeloos gehijg van Julien Schoenaerts in een Elsschot-Middag der Poëzie (12/12/’81), een gansche bladzijde rond de pot draaierij van een slecht geïnformeerde Gaston Durnez in De Standaard (28/12/’81), nota bene dan nog over irrelevante achtergronden, nog maar eens een krantekant anekdotiek (De Nieuwe Gazet, 14/1/’81), en het Aerts Letterkundig Almanak met Elsschotiana voor bij de koffie. En dan moet het nog goed en wel beginnen.

Nochtans zijn er àndere dingen te doen: twintig jaar na de dood van één der vier of vijf belangrijkste prozaschrijvers in onze taal bestaat er nog steeds geen volledige, betrouwbare uitgave van zijn verzameld werk, laat staan een wetenschappelijke, zijn zijn qua stijl en inhoud belangrijke brieven nog niet uitgegeven, zijn de voornaamste studies over Elsschot (Greshoff, Ter Braak, Du Perron, Smits, het BZZLETTIN-nummer) niet of moeilijk beschikbaar, bestaat er enkel van zijn tweedeslechtste werk, Kaas, een schooluitgave, is een deel van zijn werk nog steeds een taboe in bepaalde, al dan niet halfzachte, kringen (cfr. de Elsschot-boycot in “Ik ben genoemd meisje en vrouw”) en moeten we, ongelooflijk maar waar, nog steeds wachten op een omvattende en correcte bibliografie.

Al even ergerlijk is het onuitroeibaar anekdotisme maar vooral de slordigheid, napraterij en gebrek aan kritische zin bij de meeste Elsschot-behandelaars. Zo bvb. schrijven o.a. Frans Smits en Hubert Lampo het ontbreken van sukses van Een ontgoocheling, waarvan zelfs Knuvelder de juiste verschijningsdatum niet blijkt te kennen) bij verschijnen deels toe aan het feit dat het bij een kleine Antwerpse uitgeverij verscheen, terwijl het in werkelijkheid verscheen als co-uitgave van dat uitgeverijtje en de gerenommeerde Nederlandse uitgeverij C.A.J. van Dishoek. Op zich een detail maar belangrijk voor een receptie- of algemene studie van het werk.

Al deze droefheid overschaduwt het Elsschotjaar en zelfs het geruststellende besef dat de tijd zijn werk doet, ook in de literatuur. Het werk van Elsschot zal zichzelf wel herdenken. Ze doen maar.

BESCHIKBAAR VAN EN OVER ELSSCHOT

Van Willem Elsschot bestaat naast het Verzameld Werk (Querido) ook de aanvulling “Zwijgen kan niet verbeterd worden” (Loeb, Van der Velden en Baart, 1979, momenteel overal aan bijna-halve prijs). Binnenkort verschijnt bij Querido de Briefwisseling met Jan Greshoff.

Over Elsschot: algemene studies zijn Frans Smits, Willem Elsschot (Hes Publishers, Utrecht, 1976) en B.F. Van Vlierden, Willem Elsschot (reeks Ontmoetingen, Orion, 1973). Deelstudies: Geertrui Marks-van Lakerveld, Over Lijmen / Het been van Willem Elsschot (reeks Synthese, Wetenschappelijke Uitgeverij B.V., 1977); Raymond Vervliet, Het dwaallicht achterna (Story-Scientia, 1977) en Frans Buyens, Willem Elsschot, Een burgerlijk geweten (BZZTôH, 1978).

Van de meer dan 60 jaar dat Willem Elsschot schreef (het eerste gedicht in 1897, het laatste gelegenheidsstukje in 1959) is de periode 1913-1924 wel de belangrijkste te noemen : ze zag de publicatie van Elsschots vier beste werken.

1913-1924

Het debuut, Villa des Roses (1913), is al meteen een voltreffer : in een klassieke, nog in geen enkele opzicht verouderde stijl presenteert Elsschot het schijnbaar lachwekkend-onbenullige, in wezen verschrikkelijke bestaan van een vijftiental mensachtige pierrots in een Parijs pension. De onontkoombare afwikkeling van het plot, de volmaakte eenheid tussen vorm en inhoud, de doorzichtig gepantserde auteursliefde voor elk personage, elk moment, elk detail, de als bodemloze hardheid verschijnende gevoelsdiepte – het eerste grote misverstand rond Elsschot - : het is allemaal al aanwezig, en maakt het lezen van enig ander Nederlandstalig prozawerk uit die periode automatisch tot een lichte of zware tegenvaller : flauwe kul, pathos, pruikentaal en eindeloze boerderij-inventarissen. Elsschot stond toen al volstrekt alleen, en Villa des Roses, heeft dan ook naast veel patina een zeker mysterie verworven, alsof het per vergissing uit een superieure literaire parallelruimte werd gedropt.

Ook het niveau van het tweede werk, Een ontgoocheling (voorpublicatie 1914, boekpublicatie 1920) is in het licht van die tijd onvoorstelbaar hoog. De auteursliefde, het medelijdend maar onverstoorbaar begeleiden van de personages tot de ondergang, is toegenomen, het cynisme feller en fijner geworden. De tweevoudige dood van sigarenmaker De Keizer, de tragiek van de drie achterblijvers : het is even groots maar nog onmiddellijker dan Villa des Roses, al lijkt het nu decor. Antwerpen, zélf in een mistige, niet meer aan de tijd gebonden parallelruimte opgesteld te staan. De perfecte condensatie van stof en tragiek kondigt het tweede grote misverstand aan : dat eenvoud eenvoudig zou zijn. De eliminatie van al het niet-essentiële of toch niet-functionele en het – paradoxaal genoeg – door snelle overgangen en slechts minieme redundantie oproepen van een klassieke stijlrusticiteit, die van Een ontgoocheling dé novelle van het eerste kwart van deze eeuw maakt, werden, ook al door de kortheid, misbegrepen, onderschat.

Even slecht verging het het plattelandsdrama De verlossing (vp. 1916, bp. 1921) : het kwam van te ver, men had het gewoon niet door, of àls men het door had wilde men het om ethische, religieuze of literair-concurrentiële redenen niet weten. Een zich dan opdringende herijking van onze letterkunde aan de hand van deze drie werken zou in 1921 faliekant zijn afgelopen, gezien het toenmalig literair peil en de elkaar voor de voeten lopende literaire en andere taboes. Zo bvb. was De verlossing, net zoals trouwens Villa des Roses, decennia lang verboden lectuur voor katholieke lezers.

De ironie heeft gewild dat de stadsschrijver Elsschot met De verlossing dé “dorpsroman” van die tijd zou schrijven, al had hij op dat vlak wèl naaste concurrenten, als Streuvels en Buysse. Toch kon hij de krachttoer van Villa des Roses niet meer helemaal overdoen : De verlossing is wat te lang en hij heeft al enkele uitweidingen en logische bokkesprongen nodig om er te geraken.

In Lijmen (vp. 1923, bp. 1924) daarentegen lukt het weer : met dat uniek concept, de geniale vondsten zoals de creatie van Boorman, en de groteske mengeling van desoriënterende absurditeit en steungevend realisme is Elsschot weer ongestoord heer en meester. Kareltje uit Een ontgoocheling is groot geworden maar blijft voorlopig nog toeschouwer van Boorman en Laarmans, de mefisto’s van de nieuwe tijd, die in Een ontgoocheling en De verlossing reeds werd aangekondigd. Mogelijk moest Elsschot zelf nog wennen aan dit privé-horrorkabinet annex spiegelpaleis. Hoe dan ook verplicht dat toeschouwersstatuut hem, hier de raamvertelling te gebruiken, altijd al een narratief lapmiddel en in Lijmen dubbel pijnlijk door het conflict met lengte en schrijftaal. Het geheel blijft groots maar het is een teken aan de wand : na Lijmen is het afgelopen met de grote Elsschot.

Na Lijmen

In Lijmen speelt Elsschot zijn vierde en laatste grote troef uit : na de liefde (Villa des Roses ; culminerend in (de ondergang van) Louise, de haat (De verlossing ; het vermoorden van pastoor Kips), en de dualiteit illusie-karakter of als men wil illusie-noodlot (Een Ontgoocheling; de ondergang van vader De Keizer) volgt nu de Elsschotiaanse behandeling van het homo homini lupus, het genadeloos uitbuiten van de zwakkere, geprojecteerd in de zakenwereld. In de latere werken krijgen we enkel nog inferieure reprises en kombinaties van deze vier troeven, bvb. de illusie vs. karakter oppositie in Kaas (1933, het eerste werk na Lijmen) liefde en haat in Pensioen (1937), verzacht door een ouder en na miskenning toegeeflijker geworden Elsschot. Zijn inzicht in het eigen meesterschap leidde niet enkel tot tevredenheid ermee maar ook tot een nieuwe, ditmaal verkeerde zelfbeperking. Men kan zelfs spreken van zelfcensuur : Elsschot begon de onderwerpen die tevoren het succes van zijn boeken mee belemmerden (abortus, moord, zelfmoord) te vervangen door beschaafder en dus beperkter tragedies zoals echtscheiding (De leeuwentemmer, 1940). In Het tankschip (vp. 1941, bp. 1942) en Het dwaallicht (1946), niet toevallig de laatste werken, is er zelfs helemaal geen tragiek meer, enkel slimmigheid en nuances van berusting.

Maar de ontsporing zit nog dieper. Bij de gratie van zijn onveranderd briljante, klemvaste stijl maakt Elsschot het zichzelf steeds gemakkelijker : Kaas en Het been (1938) zijn slordige verzoeknummers (repectievelijk voor Jan Greshoff en Menno ter Braak) in vergelijking met Lijmen ; Tsjip (1934), De leeuwentemmer, Pensioen : Elsschot zoekt niet meer, de creatie blijft beperkt tot het mak uitwerken van familiale perikelen. Vanaf Kaas verwarde Elsschot zijn plaats als schrijver met zijn plaats als mens. Het essentiële verschil met toch óók in beleefde gebeurtenissen wortelend werk als Villa des Roses en Een ontgoocheling is niet zozeer de wijsneuzige en stereotiep wordende verteller of de langzame verstikking in vondstjes en humor van een trouwens individueler geworden dramatiek, maar op de eerste plaats het ontbreken van het centrifugerende element uit Elsschots vroegere ambachtelijkheid : het wegslingeren van het niet strikt noodzakelijke en het gelijkmatig zuiveren van het overige zodat het die unieke Elsschot-tonaliteit kreeg, op lexicaal, grammaticaal en semantisch vlak. Daarom op de eerste plaat zijn bvb. Pensioen en Het tankschip opaak en dus tweederangs, en daarom was Willem Elsschot in essentie een al even tweederangs dichter : door het uit vormelijkheid of sentimentaliteit niet toepassen van die klassiek makende centrifugatie die bijvoorbeeld al elk rijm, als zijnde per definitie een onzuiverheid, elimineert.

En zo mislukte ook het sterk overroepen Het dwaallicht door het samenpersen en uitentreuren herhalen van motieven en thema’s bij een uiteindelijk enkel in nuances veranderde geestesgesteldheid van ons aller Laarmans : twee mankementen, ondenkbaar in de eerste vier werken, maar die hier centrifugatie konden ontkomen.

Ook andere grove fouten in het werk na Lijmen, zoals de breuk tussen het eerste en het tweede hoofdstuk van De leeuwentemmer, de in Kaas niet functionele briefvorm, de narratieve valkuilen in Het tankschip of het onbeschaamd parasiteren van Het been op Lijmen zijn in essentie hierop terug te brengen.

En dit alles heeft dan nog eens z’n weerslag op de – ik herhaal het, steeds briljante – stijl : in ons huidig literair-historisch perspectief ontwikkelt die stijl zich steeds meer als doel dan als het – oorspronkelijke- middel : het tweede symptoom van de noodzakelijke erosie van de onvergankelijkheid.