|
J.V.D.W.
ONS VOLK
8 mei 1952
jaargang 35, No. 19
WILLEM ELSSCHOT ZEVENTIG
Willem Elsschot, die op 7 Mei zeventig jaar wordt, is een eerder kleine en nogal gezette verschijning. Zijn wazige blauwe ogen zwerven voortdurend weg naar ongeraden verten. Er zweeft af en toe een vage glimlach over zijn gelaat met de ietwat vermoeide mond, de fijne rimpels, de zachtmoedige kin boven het stijve boordje en de gelaten groeven, die van de neusvleugels naar de mondhoeken lopen.
Het valt onmiddellijk op, dat er nergens een boek te bespeuren is in zijn woning. Wel kasten vol porseleinen beeldjes, vazen en snuisterijen. Verder enkele beeldhouwwerken en schilderijen.
Willem Elsschot heeft niets van een van vitaliteit bruisende kerel. Hij zit knusjes in zijn zetel en gluurt ons vragend aan. Wij krijgen zowaar de indruk, dat wij indringers zijn in een geheim gebied, luidruchtige barbaren in een vreemdsoortige tempel.
Willem Elsschot schijnt een man te zijn, die een ingeboren schuchterheid tot elke prijs wil verstoppen onder een zekere koelheid en een vleugje tere spot. Iemand die zich weiger overgeeft aan het zeldzame genot van een ongedwongen gesprek.
- U bent te Antwerpen geboren, meneer De Ridder. (Willem Elsschot is een schuilnaam. In de bevolkingsregisters staat de schrijver geboekt onder de naam Alfons De Ridder.)
- Ja, zeventig jaar geleden. Mijn vader, die als bakker aan zijn boterham kwam, stamt uit Ekeren. Mijn moeder was van Tongerlo.
Willem Elsschot was in zijn jeugd een strijdend vlaamsgezinde knaap en hij kreeg het aan de stok met enkele fransgezinde leraars in het Antwerps gymnasium, weshalve men hem aan de deur zette. Van zijn zestiende tot zijn negentiende jaar verdiende hij de kost als loopjongen op diverse kantoren, waarna hij ging studeren aan het Hoger Handelsinstituut te Antwerpen. Hij werkte als bediende gedurende een paar jaren te Parijs, waaide over naar Rotterdam, waar hij vier jaar verbleef en waagde daarna zijn kans, steeds als bediende, te Brussel, in de Joodse zaak Herz und Wolff. Na de eerste wereldoorlog zette hij samen met een partner een uitgevers- en publiciteitszaak op, die hij sedert 1930 alleen exploiteert. Ofschoon hij nu zeventig gaat worden, drijft hij nog steeds persoonlijk zijn eigen kantoor.
- Hoe bent u aan uw mooie schrijversnaam gekomen, meneer De Ridder?
- Tussen Herselt en Veerle ligt een bos, waar ik altijd veel van gehouden heb. Dat bos heet Elsschot …
- Hoe begon u te schrijven?
- Toen ik vijftien was, werd ik sterk beďnvloed door Pol de Mont, die toen fungeerde als leraar aan het Antwerpse gymnasium. Onder zijn impuls begon ik gedichten te schrijven, waarvan er enkele verschenen zijn in « De Alvoorder ». Proza begon ik pas later te schrijven. Ik kan toen zowat vijfentwintig geweest zijn en leefde te Rotterdam. Ik noteerde doodgewoon, wat rondom mij in het dagelijkse leven gebeurde en het werd een roman : « Villa des Roses ». Langs Cyriel Buysse om werd mijn eersteling gepubliceerd in « Groot Nederland ». De Nederlandse uitgever Van Dishoeck kreeg het verhaal in de gaten en gaf het uit. Achteraf volgden verder : « Een Ontgoocheling » (1920), « De Verlossing » (1921), « Lijmen » (1924), « Kaas » (1933), « Tsjip » (1936), « Pensioen » (1937), « De Leeuwentemmer » (1940) en « Het Tankschip » (1942).
- En u vergeet nog « Het Dwaallicht », dat zo goed onthaald werd.
- Inderdaad.
- U hebt in uw werk steeds veel gegrepen naar autobiographische gegevens, nietwaar?
- Mijn geschriften, romans en gedichten, zijn mijn dagboek. Ik fantazeer niet, want ik ben altijd bang, dat hier door het čchte diepe gevoel en de innigheid verloren gaan. « Kaas » vind ik mijn beste boek. Het is goeddeels te danken aan Jan Greshoff, dat ik « Kaas » heb geschreven. Hij maakte er mij een verwijt over, dat ik na « Lijmen » zo lang bleef zwijgen. Dat verwijt vatte ik als een spoorslag op en ik schreef « Kaas ».
- U hebt ook gedichten gepubliceerd, meneer De Ridder?
- In 1934 verscheen het bundeltje « Verzen van Vroeger ».
- En is de bron der poëzie uitgedroogd?
- Soms schrijf ik nog een vers… Soms…
- Schrijft u gemakkelijk?
- Zeer moeilijk. slechts als ik inspiratie heb. De zwaarste karwei is het zuiveren van de tekst. (Willem Elsschot schrijft een vlekkeloze taal, die vele andere Vlaamse auteurs hem mogen benijden.)
Wij vernemen nog, dat hij vooral de Bijbel leest, Reinaert de Vos en de Legende van Uilenspiegel, benevens zekere delen uit Multatuli’s werk. Lievelingsauteurs : Stendhal, Dostojewski, Balzac, Poe, Kipling en Wells. Frits Francken bezoekt hem vaak en Elsschot heeft veel sympathie voor Richard Minne en voor Achilles Mussche. Onder de jongeren vindt hij Louis-Paul Boon een groot talent.
Een uurtje, nadat we zijn stille huis zijn « binnengedrongen », opent hij voor ons de hoge witte deur en loopt pratend met ons even het hoekje om. Het laatste, wat wij van hem zien, is het vriendelijke wuiven van zijn hand.
|