|
H.R.C.
Het Weekblad
9 maart 1958
jaargang 48, No. 10
KEN UW KUNSTENAARS Willem ELSSCHOT. EEN GANS APARTE FIGUUR IN DE NEDERLANDSE LETTERKUNDE
Willem Elsschot is in de moderne Vlaamse literatuur een zeer markante figuur. Hij heeft een revolutie bewerkt in onze proza-kunst, niet alleen door ze van al het folkloristische en schilderachtige te bevrijden in de geest van Vermeylens slogan : Wij willen Vlamingen zijn om Europeeërs te worden, maar ook door de woord-kunst zelf te ontbolsteren, ze te zuiveren van alle fiorituren, die men tot dan toe zo schoon vond ; door zijn taal direct en krachtig te maken.
Hij is ook een der grote tegenpolen geworden van de zogenaamde heimatliteratuur, de boeren- en kleinsteedse romans, een genre waarvan Edward Vermeulen ofte Warden Oom de meest populaire exponent was. Elsschot bracht een gans nieuw geluid ; zijn aandacht ging al dadelijk naar de nuchtere realiteit van het leven van elke dag, naar het dagelijkse drama dat hij vertelt in een nuchtere, zakelijk taal. Het eigenaardige bij Willem Elsschot is dat hij zijn eigen trant van in het begin al gevonden heeft, een trant waaraan hij zonder opmerkelijke revoluties trouw is gebleven.
Zijn pijnlijk nauwkeurige wijze om de kleine kanten van de mens bloot te leggen en onder het ontleedmes te nemen met een vleugje medelijden door de ironie gemengd, maken hem, samen met zijn directe stijl, tot een der oorspronkelijkste auteurs van de huidige Nederlandse literatuur.
ANTWERPENAAR
Willem Elsschot werd te Antwerpen, waar hij op 7 mei 1882 geboren werd, in de burgerlijke stand eigenlijk als Alfons De Ridder ingeschreven. Zijn schrijversnaam gebruikte hij in 1912 voor de eerste maal. Alfons was de zoon van een bakker aan De Keyserlei en vader bestemde hem voor om een geleerde dokter of advokaat te worden. Het schijnt dat Alfons De Ridder in de lagere school liet hopen dat vaders wens in vervulling zou gaan, maar toen hij in het Atheneum terechtkwam wou het niet vlotten en het duurde niet lang of Alfons kon thuisblijven en de dromen voor een grote toekomst – schijnbaar voor goed – aan een haakje hangen.
En toch hadden de jaren in het atheneum betekenis in zijn leven. Zijn artistieke aanleg was er voor het eerst tot uiting gekomen. Met enkele vrienden stichtte hij er een letterkundig kransje, « Flandria », dat eigenlijk een soort samenwerkend genootschap was om boeken te kopen. Op de atheneumbanken heeft hij ook zijn eerste gedichten à la Kloos en Gorter geschreven.
Toen hij van school weg was, wisten zijn ouders noch hijzelf wat hij zou gaan doen. Ten slotte werd hij jongste bediende in verschillende handelsondernemingen. Maar al die tijd bleef hij in betrekking met zijn gewezen studiemakkers, met wie hij in 1900 het letterkundig tijdschrift «Alvoorder » stichtte. Onder de medestichters vinden we o.a. de namen van Karel van den Oever, Lode Baekelmans, Arie Delen en Herman Teirlinck. In dit tijdschrift verschenen gedichten van hem, die nog niet de persoonlijkheid verraden die we later leren kennen.
TOCH STUDENT
En in 1901 neemt de jonge kantoorbediende een kloek besluit: hij gaat studeren aan de Handelshogeschool te Antwerpen, waar hij vier jaar later buiten komt als licentiaat in de Handels-, Consulaire Koloniale Wetenschappen.
Alfons De Ridder kon nu – beter gewapend – een nieuwe loopbaan beginnen. Hij kwam achtereenvolgens in een Zuidamerikaans handelsbureau te Parijs, op een scheepstimmerwerf te Schiedam als chef-correspondent, om in 1911 te Brussel boekhouder te worden en later mede-uitbater van een reclametijdschrift en zich in 1914 definitief te Antwerpen te vestigen, waar hij eerst een betrekking aanvaardde in het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding.
Tijdens de Nederlandse periode begon Willem Elsschots literaire loopbaan met de uitgaven van zijn « Villa des Roses », waarvan de oorsprong in zijn Parijse tijd te zoeken is. Na de oorlog zette hij weer een reclamezaak op touw, begon hij een handelsuitgeverij en werd hij voor korte tijd correspondent van de « De Nieuwe Rotterdamsche Courant ».
ZIJN WERKEN
Tijdens de oorlog nog schreef hij « Een ontgoocheling » (novelle) en « De Verlossing », welke beide in 1921 uitgegeven werden en reeds in 1923 gevolgd werden door « Lijmen ». Daarna vernam men tien jaar lang niets meer van de auteur Elsschot. In 1933 schreef hij in een paar weken tijd « Kaas », waarna met nieuwe regelmaat achtereenvolgens verschenen : « Tsjip » (1934), « Verzen van vroeger » (1934), « Het Pensioen » ( 1937), « Het Been » (1938), « De Leeuwentemmer » (1940), « Het Tankschip » (1942), « Het Dwaallicht » (1946).
Zijn « Villa des Roses » kwam aan als een voltreffer. Het is een cosmopolitische roman, sober en pittig verteld in korte rake zinnen en bondige hoofdstukken, zonder gezochte mooidoenerij. En dàt op een ogenblik dat de landelijke, lieflijke en sentimentele roman nog schering en inslag was.
« Villa des Roses » is een uitstekend werk waarin we in een Parijs pension allerlei mensen zien evolueren.
De volgende verhalen, « De Verlossing » en « Een ontgoocheling » waren in zekere zin een inzinking. Ze zijn minder vooruitstrevend. « De Verlossing » was trouwens een dorpsverhaal en zijn enige werk zonder autobiografische bronnen.
« Lijmen » voert twee figuren op het toneel, de koude zakenman Boorman en de gevoelige Laarmans, waarin men de ontdubbeling heeft willen zien van de persoonlijkheid van de schrijver zelf. Het verhaal is sarcastisch, cynisch en onmeedogend verteld.
Heel wat milder is het tragi-komische boek « Kaas », waarin de goedige Laarmans weer verschijnt die niet langer bediende blijft maar een eigen firma sticht en daarbij zijn commerciële handigheid zeer overschat.
De stof voor het innige « Tsjip » putte Elsschot in het huwelijk van zijn dochter en de geboorte van zijn kleinzoon.
Boorman vinden we weer in « Het Been », waarin de meedogenloze zakenman tot inkeer komt. Het boek kwam jaren na « Lijmen » en is in een veel menselijker toon geschreven.
STERKE PERSOONLIJKHEID
Willem Elsschot – Alfons De Ridder is als mens en kunstenaar verre van alledaags. Hij is in onze literatuur verschenen als een vernieuwer die helemaal ongekende wegen bewandelt en het heeft daarom ook een tijdje geduurd eer het lezerspubliek hem heeft leren waarderen.
Hij is in de literatuur steeds een stukje op zijn tijd vooruit geweest ; het is dan ook zeer moeilijk om hem ergens bij een groep in te delen. Vestdijk heeft hem de « enige authentieke Forumdichter die ooit in dit tijdschrift debuteerde » genoemd, alhoewel zijn eerste roman twintig jaar vóór « Forum » verscheen.
Als mens heeft Willem Elsschot trouwens ook nooit van kransjes gehouden. Waarschijnlijk waren zijn oude studiemakkers van het atheneum de enigen die hem tot lidmaatschap van een clubje konden bewegen. En toch was en is hij daarom geen mensenhater, verre dan daar en als student is hij zeker geen filister geweest.
Om te besluiten een anekdote die verteld wordt door zijn biograaf Frans Smits (« Willem Elsschot, zijn leven, zijn werk ») en welke ons zeer goed de echte Elsschot met zijn afkeer voor conventies laat kennen. Toen hij afgestudeerd was, stond wellicht voor hem een carrière in de diplomatie open en dus ging hij zijn opwachting maken bij de minister.
Hiervoor had hij het zwarte pak en de hoge hoed van zijn broer-doktoor geleend. Als hij in het kabinet binnengeleid werd, stelde Elsschot echter tot zijn ontsteltenis vast dat hij in de anti-chambre zijn buishoed had laten liggen en roept, weer buitenlopend : Dedju! ‘k Heb onze Charel zijnen hoed vergeten!
Ik weet niet of het aan dit incidentje te wijten (of te danken?) is dat Willem Elsschot geen diplomaat is geworden. Geen diplomaat…, maar een heel aparte figuur in onze litteratuur werd hij, die met zijn scherpe blik en zijn ongekunstelde stijl en met de meest banale middelen van de gewone taal zeer dicht het dagelijkse leven heeft weten te benaderen ; het dagelijkse leven van de mens, de menselijke handeling zonder fonddecor.
|