Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

Willem Elsschot

 
Zoek

 

H.G. Cannegieter

 

DE SOCIALISTISCHE GIDS
december 1937
jaargang 12, No. 12


Een van de merkwaardigste Nederlandse auteurs uit de laatste tijd is de Vlaming Alfons de Ridder, die onder de schuilnaam Willem Elsschot een bundel gedichten en een zevental prozawerken geschreven heeft, waarvan het laatste, Pensioen, dezer dagen bij P.N. van Kampen en Zoon te Amsterdam is verschenen. Men kan dit boek niet zuiver beoordelen, zonder in zijn waardering ook de overige pennevruchten van dezen auteur te betrekken. Slechts een beschouwing over het gehele oeuvre is bij machte een inzicht te geven in den schrijver en de persoonlijkheid, die in het onderhavige geval wel zeer moeilijk te scheiden zijn.

 

Elsschot maakt het den lezer gemakkelijk, niet alleen door zijn boeiende schrijftrant, maar ook door zijn weergaloze beknoptheid. Ook in zover behoort zijn werk tot de moderne tijd, die geen rust en geduld meer heeft om boeken van duizend bladzijden, compres gedrukt, door te werken of romans in tien delen te verteren. En toch is het zonderlinge dat juist in onze tijd dikke en vervelende boeken in grote getale van de pers komen, die door het lezend publiek met graagte worden verzwolgen. En dat het oeuvre van iemand als Elsschot lange tijd onbemerkt is gebleven. Maar het leven is nu eenmaal paradoxaal.

 

Schrijvers dezes verkeerde in de waan, dat hij het lezen verleerd had, en kon zich niet voorstellen, dat er een periode is geweest, waarin hij de complete Jules Verne en Dickens in een paar weken tijd in zich opnam. Zou lezen uitsluitend een kindervermaak zijn, waarvoor de aanleg na de eerste jeugd afslijt? Maar ziedaar! – Willem Elsschot heeft hem bewezen dat deze onmacht niet aan hem, maar aan de auteurs heeft gelegen.

 

Elsschot’s bundel gedichten, omstreeks 1910 door een jongmens van midden in de twintig geschreven en eerst in 1934 te Haarlem bij Joh. Enschedé en Zonen onder de titel Verzen van vroeger gepubliceerd, telt slechts vijftien bladzijden en zijn romans, op klein formaat met grote letter gedrukt, halen voor het merendeel de honderd vijftig bladzijden niet. Toch wordt er in dit beknopt bestek meer gezegd en op indrukwekkender wijze dan in de lijvige uiteenzettingen zijner tijdgenoten.

 

Wanneer wij van Elsschot niet meer kenden dan zijn verzen en zijn beide eerste romans Villa des Roses (tweede druk bij C.A.J. van Dishoeck te Bussum, 1921), en De Verlossing, in hetzelfde jaar bij denzelfden uitgever verschenen, dan zouden wij dezen auteur weliswaar kunnen eren als een verdienstelijk schrijver, maar hij zou ons geen aanleiding geven om hem een bijzondere plaats in de hedendaagse Nederlandse letterkunde toe te kennen. Wel onderscheidt deze aanvankelijke Elsschot zich van zijn Vlaamse medeauteurs door de ontstentenis van die gekunstelde gemoedelijkheid, welke voor een deel van het publiek de bekoring der Vlaamse letteren uitmaakt, doch bij een ander deel van het publiek de Vlaamse literatuur in discrediet heeft gebracht. Reeds de jonge Elsschot treft den lezer door de rauwe, bittere toon, waarmee hij de werkelijkheid, zoals hij die ervaart, onverbloemd aan de kaak stelt. Hij bekijkt het leven en de wereld niet door de romantische bril en ook niet met de ogen van dat zogenaamd realisme, dat in zijn tijd met een romantische hartstocht de werkelijkheid striemde, omdat zij niet voldeed aan het ideaal. Elsschot behoort tot die nuchterlingen, die de werkelijkheid aanvaarden zoals zij nu eenmaal is en dit doen met een soort galgenhumoristische gelatenheid, die het midden houdt tussen lafheid en heldenmoed. Het is de houding van dat soort cynische humoristen, die met hun overgevoelige natuur lijden aan de melancholie, welke zij met een weerbarstige lach bestrijden. Een hunner geestigste vertegenwoordigers, de Duitse puntdichter Wilhelm Busch, kenschetst dit soort humor door te vertellen van een vogel, die op een lijmstok in een boom is vastgeraakt en op wie nu een zwarte kater komt toesluipen. De kater klimt steeds hoger en de vogel ziet hem naderen met zijn scherpe klauwen en gloeiende ogen en denkt dan: Daar er toch niets aan te doen is en daar de kater mij toch opvreet, zo wil ik geen tijd verliezen en nog een weinig kwinkeleren. Deze vogel, zegt Busch, bezit humor.

 

Wij kennen op dit ogenblik een ganse garde, - die allengs al geen “jonge garde” meer is, - van galgenhumoristische poëten en prozaïsten, die ieder op hun wijze, - maar ze zijn vrijwel eender gebekt, - kwinkeleren over de narigheid van de senieliteit en de gapende kuil, die hun wacht en die temidden van het rijke bloeiende leven hun aandacht ook voornamelijk concentreren op alles wat aan bederf en verval herinnert. En die zich dan op de wijze van Wilhelm Busch’s vogel amuseren met een pijp en een borrel en gezwets over vrouwen. Want meer heeft immers het lieve leven toch niet aan te bieden tijdens die enkele seconden, waarin de zwarte kater komt aansluipen!

 

Wij zullen ons hier niet verdiepen in de psychologie van deze jongeren, die te laat hebben ontdekt, dat zij in Willem Elsschot hun voorganger gehad hebben in een tijd, waarin de mode nog anders kweelde.

 

De wereld, zoals Elsschot die in zijn Verzen van vroeger aanschouwt, levert vrijwel niets op dan afzichtelijke bedelaars, bultenaars en ouden van dagen, met wie de jonge man, zich generend over zijn voorlopig nog onaangetast welzijn, zich menselijk vereenzelvigt; hij ziet de dood reeds zijn moederken komen halen, dat gekromd, verdroogd en versleten is, zoals een pop die men bij een verhuizing heeft vergeten. En hij verplaatst zich in de spijtige gemoedsgesteldheid van een echtgenoot, die zijn vrouw heeft zien verwelken, en haar niet meer kan begeren.

 

De zin voor het lugubere, welke Elsschot tot in zijn laatste werken is bijgebleven, treedt ook in ’t licht in zijn eerste roman Villa des Roses, een beschrijving van de verschillende typen, die een pension in Parijs bevolken. De drieënnegentigjarige kindse vrouw, die, nadat men haar aan tafel er op heeft betrapt, sinaasappelen te hebben verdonkeremaand en die zich nu wreekt door het geliefde huisdier, een aapje, levend in de kachel te verbranden, is het prototype geworden van verschillende gelijksoortige figuren, in wier hopeloos en smakeloos bestaan de schrijver zich door een gedetailleerde en buitengewoon beeldende beschrijving verlustigt.

 

Maar in Villa des Roses zowel als in De Verlossing dragen deze figuren nog vrij zuivere realistische kentrekken en hebben ze nog niet dat eigenaardige tikje onwerkelijkheid gekregen, dat het typerende is geworden in Elsschot’s latere en wezenlijke oeuvre, waarin zich ook de ironie sterker ontwikkelt, die in De Verlossing reeds veelvuldiger aan de dag treedt dan in des schrijvers eerste roman.

 

De Verlossing speelt op een Vlaams dorp en beschrijft de stille en bittere strijd tussen een ongelovige winkelier en een fanatieke pastoor, die niet rust voor hij zijn tegenstander in het dorp economisch onmogelijk heeft gemaakt en tot de ondergang heeft gedoemd. Zowel de winkelier, die tenslotte de tering krijgt, als zijn vrouw, die door haar echtgenoot onophoudelijk geranseld wordt, herinneren ook weer aan des schrijvers voorliefde voor het lugubere, dat culmineert in de scène, waarin de stervende winkelier den priester heeft laten roepen om hem met zijn jachtgeweer dood te schieten.

 

Doch de andere tendenz van Elsschot, zijn zin voor het ironische, belichaamt zich in deze roman in hetgeen op deze moord volgt. Het dochtertje van den winkelier, dat uit reactie tegen haar vader’s geestesgesteldheid ziekelijk vroom is geworden, tracht zijn zonde goed te maken door het ongedoopte jongetje van een atheïst uit de stad stiekem te doen dopen. De wijze, waarop zij het doel bereikt, is met een fijne ironie, welke niet ten koste van de menselijkheid gaat, beschreven.

 

De echte Elsschot spreekt uit een zinnetje als dat over den nieuwen pastoor, die zich ongerust maakte dat de vrome jonge dochter zou sterven van ledigheid en verveling. “En daar hij Anna’s ijver op prijs stelde en haar in ’t leven wilde houden, gaf hij haar Bijou cadeau, die toch sukkelachtig werd, aan schurft leed en bijna blind was.”

 

En uit de beschrijving van de bedevaarten, die Anna maakte: “Die bedevaarten waren tevens ingericht als plezierreizen, ofschoon de mannelijke kunne niet werd toegelaten. De troep bestond uit honderden vrouwen en meisjes, afkomstig uit alle delen van ’t land, en werd aangevoerd door een man met een rode pet en door twee pastoors die onderweg, en ter plaatse der bestemming, predikten en uitleg gaven. Een Brussels reisbureau zorgde voor alles en ’t kostte weinig geld, vooral in derde klasse. Zij zaten dagen lang in wagons, baden, zongen litanieën, aten broodjes en sliepen wel eens.

 

Zo ging zij naar Lourdes, waar zij met eigen ogen gezien heeft dat een lamme aan ’t dansen ging en dat een ontzaglijk kropgezwel geheel wegsmolt onder ’t bidden, en naar Rome, waar zij gezegend werden door een schim die op een troon zat en die men beweerde dat de paus was. Na Rome spaarde zij twee jaar lang en ging eindelijk naar Jeruzalem, waar nog nagels verkocht werden die afkomstig waren van ’t kruis.”

 

Met Een Ontgoocheling (Amsterdam, P.N. van Kampen en Zoon) komt de eigenlijke Elsschot, zoals hij tot een afzonderlijke figuur in onze letterkunde is uitgegroeid, voor het eerst om de hoek. In dit boek treeedt het merkwaardige mannetje op, dat hier nog aanvankelijk De Keizer zal heten, maar in Lijmen (Wereldbibliotheek, 1932, herdruk), Kaas (Amsterdam, P.N. van Kampen en Zoon), Tsjip (Amsterdam, P.N. van Kampen en Zoon) en Pensioen (Amsterdam, P.N. van Kampen en Zoon) is verdoopt met de naam Frans Laarmans, die voortaan even onsterfelijk zal blijken als Duhamel’s Salavin.

 

Het is moeilijk uit te maken, in hoeverre deze figuur een afspiegeling is van des schrijvers innerlijk. Vermoedelijk mag men Elsschot en Laarmans niet met elkaar vereenzelvigen, al zal er in Laarmans wel een deel van Elsschot gevaren zijn. De mens is tenslotte voor zichzelf niet wat hij in werkelijkheid is, maar zoals hij zichzelf ziet en gevoelt. Deze visie kan geheel anders zijn dan die van zijn medemensen, al drukt op den duur deze zelfverbeelding ook wel een objectief stempel op de persoonlijkheid, die een rol gaat spelen, - zijn rol, de rol, die hem het beste ligt of althans hem het liefste is. Zo speelt Elsschot de rol van Laarmans, zij het dan misschien niet in het maatschappelijk leven, maar dan toch in zijn particuliere droom.

 

Deze Laarmans, - dit stuk van hemzelf, - is hem een obsessie geworden. Hij kan dit wezen, dat hij haat en veracht en waarmee hij soms ook diep medelijden heeft, niet uit zijn verbeelding verbannen. Hij kan Laarmans, dien compromitterenden metgezel, niet kwijtraken, en daarom spot hij ermee en solt hij ermee in de geschiedenissen, die hij hem laat beleven en die klaarblijkelijk een stuk autobiografie bevatten. In zijn novellistisch werk tracht Elsschot zich van Laarmans te ontdoen, tracht hij hem buiten zichzelf te zetten en een eigen leven te laten leiden, dien compromitterenden metgezel, dien hij haat en veracht en dien hij tevens zo liefheeft.

 

Maar Laarmans is niet alleen een stuk Elsschot, hij is een stuk uit het wezen van talloze mensen, die in dezelfde positie tegenover hem staan als zijn auteur, en die met dien auteur mede smullen om de hoon, die zij hem aandoen, maar behalve van deze zelfkwelling tevens genieten van het heimelijke zelfbeklag, dat in deze liefde doorschemert. Het is in de laatste jaren onder de literatoren gewoonte geworden, de levens van grote mannen na te vertellen en het publiek verdiept zich gaarne in deze helden, omdat het hierdoor zijn eigen sukkelachtigheid vergeet. Tenslotte is deze terugkeer naar de levens van Goethe, Pasteur of Napoleon een vlucht uit de miserabele werkelijkheid, maar wat weten de soldaten, die als gemobiliseerde burgers de strijd in de loopgraven meemaken, van de hoge omes, ministers, generaals en diplomaten, wier leven een oncontroleerbare legende blijft. Zijn alleen deze goudkragen helden en leeft daar niet in het grauwe slik van de aarde ook de dappere, onbekende soldaat? Deze onbekende soldaat uit de maatschappelijke loopgraven heeft Elsschot beschreven. Laarmans is het doodgewone, pietluttige burgermannetje, dat een zaakje heeft of op een kantoor zit, dat thuis bij koffie en hutspot zijn taai bestaan met moeder de vrouw van dag tot dag voortsleept en tegen zijn wil in allerlei familieconflicten betrokken wordt, waar hij zich liever buiten zou houden, maar waartoe hij geprest wordt, omdat hij tenslotte toch de man is en het hoofd van het gezin.

 

Zo’n mannetje denkt niet in verheven categorieën, maar heeft toch in zijn binnenste een soort ideaal bewaard, waarnaar hij op meestal onhandige wijze streeft en dat hij slechts in caricatuur kan verwezenlijken. Dan legt hij zich met een lafhartige zelfspot bij zijn vernedering neer, maar in de kleine dingen, die hij op zijn wijze groot verricht, zit toch iets heldhaftigs. Laarmans en zijn kornuiten zijn ontegenzeggelijk verwant aan Don Quichotte en Tartarin de Tarascon.

 

De bekoring, en de betekenis ook, van Elsschot’s geschriften ligt in de wijze, waarop hij deze klein-menselijke, maar echt-menselijke figuren stelt tegenover de ontmenste moderne maatschappij, welke in nog sterkere mate dan zij het slachtoffer wordt van zij ironische pen. Deze winkeliertjes of klerkjes zijn de dupe van een zakenwereld, welker gewetenloze brutaliteit, sluwheid en handigheid zij bewonderen, hoewel zij er het slachtoffer van zijn. Soms krijgen zij gelegenheid haar na te volgen, maar hun onhandige argeloosheid bederft spoedig het spel. Een enkele maal gelukt het hun, het voorbeeld van Monsieur Topaze te volgen, - men herinnert zich dit arme onderwijzertje, dat eensklaps bemerkte, hoe ook hij het kunstje kon en, toen hij het eenmaal te pakken had, zich tot een geslaagde zakenboef opwerkte, die zijn man stond.

 

In Kaas mislukt Laarmans de maatschappelijke carrière, in Lijmen slaagt hij, maar ten koste van zijn menselijkheid.

 

Maar laten we, alvorens deze twee romans tegenover elkander te stellen, eerst nog de aandacht vestigen op Een Ontgoocheling, waarin, gelijk gezegd, Laarmans nog De Keizer heet.

 

Deze De Keizer fabriceert sigaren, maar op zeer kleine schaal: zijn afzet beperkt zich tot familie, vrienden en kennissen. “Die mensen kochten zijn sigaren deels uit medelijden en deels omdat zij niet anders durfden, want hij herkende zijn fabrikaat al uit de verte. De meesten echter rookten stiekem ook nog andere sigaren, die zij moesten uitdoven of weggooien wanneer De Keizer onverwachts bij hen op bezoek kwam, of als zij hem in de stad ontmoetten.” Zelfs als voorzitter van de vereniging De Lustige Whistspelers, waarin deze negociant zijn waardigheid als mens uitleeft, wordt hij door de onderdanigheid aan de klandizie genekt. Met deze maatschappelijke ondermijning gaat een familietragedie gepaard, welke de schrijver op zijn wrang-noterende wijze vertelt.

 

Gelijk zoveel maatschappelijk vernederden heeft De Keizer zijn hoop op zijn zoon gesteld, die iets beters moet worden dan Vader. Van trots vervuld laat hij Kareltje in de stamkroeg aan Vader’s vrienden meedelen, dat hij advokaat wil worden, maar tot Vader’s verbazing loopt Kareltje’s gymnasiale carrière binnen een paar jaar te pletter tegen zijn absolute stompzinnigheid. En als Kareltje tenslotte als drukkersjongmaatje aan de diepste vernederingen van het werkvolk en van zijn voormalige medescholieren is overgeleverd, wreekt de vader zijn teleurstelling op het gehele gezin. De Keizer, die zijn leed in de herberg verdrinkt, sterft aan een onsmakelijke ziekte, waarvan de schrijver met zijn voorliefde voor het lugubere, ons weer geen detail bespaart, en wordt op zijn doodsbed gemarteld door de gedachte dat niet slechts door de degradatie van zijn zoon de familie-eer is vernietigd, maar ook zijn persoonlijke waardigheid kapot is gemaakt, doordat men hem niet als voorzitter van de vereniging heeft herkozen, - de vereniging, die na zijn dood zijn lijk nog te baat zal nemen om door een pompeuze begrafenis zich te glorifiëren.

 

In dit wel wat te grof gechargeerde slot van het verhaal culmineert het groteske karakter van Elsschot’s werk, dat zijn ironische fijnheid voornamelijk ontleent aan het droogweg noteren van de tegenstelling tussen het tragische en het banale, dat in de realiteit van het leven immers ook steeds in een vermenging optreedt, welker komische wanstaltigheid de romantiek poogt te verbloemen. Een enkel voorbeeld van Elsschot’s procédé in dezen levert de scène, waarin De Keizer ’s avonds laat dronken thuiskomt en door zijn vrouw opgewacht wordt. De vrouw merkt uit het onthutste voorkomen van haar echtgenoot, dat hier meer dan gewone dronkenschap in het spel is, maar dat haar man het een of ander erge verdriet moet hebben geleden. In plaats van hem het verwachte standje te geven, zet zij hem zijn middageten voor en neemt de krant weer op, die zij aan het lezen was. “Bij wijze van protest had zij het eten niet opgewarmd, maar nu zij zag hoe ongewoon De Keizer deed, was zij toch blij dat het stoofcarbonaden waren, die koud net zo lekker zijn als warm. De Keizer at zwijgend. Hij stopte grote stukken vlees in zijn mond en schudde voortdurend het hoofd en toen zijn vrouw hem tersluiks aankeek, bemerkte zij dat twee tranen naar zijn snor afzakten.

 

Het mens ontstelde, want het was zeventien jaar geleden, dat De Keizer voor ’t laatst had geschreid, toen zij pas verkeerden en eens ruzie hadden gemaakt.”

 

De onderdanig-diplomatieke houding van den sukkelachtigen echtgenoot tegenover de vrouw herhaalt zich in elk van de volgende romans. In Lijmen is Laarmans nog ongetrouwd en door de ontstentenis van de gezinstragedie is dit boek een zuiver zakelijke persiflage van het moderne bedrijfsleven geworden. Laarmans, die tot nog toe als een argeloze enthousiasteling achter willekeurige optochten heeft aangelopen, ontmoet Boorman, de verpersoonlijkte zakenschurkerij, een type dat als tegenspeler een even representatief karakter heeft, zodat men in de werkelijkheid hem even vaak tegen het lijf loopt als Laarmans, zijn eeuwige dupe.

 

Boorman leeft van de publiciteit; hij heeft het Algemeen Wereldtijdschrift voor Financiën, Handel, Nijverheid, Kunsten en Wetenschappen gesticht, waarin hij met de opschepperige snorkerijen, welke op de reclame-congressen wetenschappelijk gegrondvest worden, allerlei ondernemingen breedvoerig beschrijft ten bate van zijn eigen portemonnaie, waarin de aldus beschrevenen het geld voor hun extra-nummers storten. Prachtiger persiflage dan Lijmen, dat ik als Elsschot’s beste boek beschouw, is moeilijk te geven!

 

Boorman heeft de gave, met een ernstig gezicht de grootste dwaasheden te debiteren, die er bij den luisteraar als zoeten koek ingaan, zodra deze er, zakelijk gesproken, iets in ziet. Alles is in de superlatief en op de malste tegenstrijdigheden wordt niet gelet. Reuzenschepen, reuzenzaken, reuzenzuivelfabrieken, reuzenzeepziederijen, reuzenmetaaldraadgloeilampfabrieken, vooruit maar! “De firma, die je beschrijft is natuurlijk hypermodern, omdat zij zo op en top in alles ‘bij’ is en toch van de oude stempel wegens de grote degelijkheid. De firmanten zijn te algemeen bekend om over hen uit te weiden, en daarop laat je gerust de onmogelijkste bijzonderheden volgen, want gewoonlijk weet niemand iets van ze af. Je zegt bijvoorbeeld hoe laat Hooikaas junior opstaat, dat hij slechts water drinkt, wat zeker merkwaardig is voor iemand die een uitstekende wijnkelder heeft, dat hij er een zeer bijzondere stijl op nahoudt om bevelen aan zijn personeel te geven, en dat de Heer hem begunstigd heeft met een adelaarsblik, die de concurrentie te recht doet beven. Dan een of ander over de producten. O, die heerlijke producten van die reuzenfirma! Zo bijzonder, zie je! Zo afgewerkt. Zo heel anders dan het courante. Het verschil merk je pas in ’t gebruik. Jubilarissen mogen niet vergeten worden, want een eersterangsfirma houdt er altijd een stuk of wat van die dingen op na. Je moet dan ook met een hartelijk woord gewagen van den ouden Jan of Klaas, die nu reeds twee en zestig jaren lachend aan de blaasbalg staat en niet weg wil van de plek, waar de firma groot en hijzelf suf geworden is. Die wordt dan door ons gefotografeerd, of hij wil of niet.”

 

De sluwheid van deze moderne Reinaerdt treedt aan het licht wanneer hij een begrafenisonderneming in zijn strikken verwart, die haar auto beurtelings als ziekenwagen en, na het voertuig hiertoe te hebben gecamoufleerd, als lijkkoets gebruikt. Dit bedrog ontdekt hebbende en na zich op slinkse manier van de onloochenbare bewijzen te hebben verzekerd, dwingt Boorman de firma door deze chantage tot een lucratieve bestelling van zijn Wereldtijdschrift, waarin hij met een welsprekend betoog de onderneming aanbeveelt. Vermakelijk ironiseert Elsschot dit soort reclame, door Boorman bij zijn ene klant het nut van houten ledikanten boven die van ijzer te laten uiteenzetten en daarop met een onverstoorbare overtuiging bij een volgende klant ’t ijzeren ledikant te laten propageren tegenover ’t ouderwetse van hout.

 

Het tragische bestanddeel van het boek wordt geleverd door een eenvoudige grofsmid, die met zijn zuster een goed beklant ouderwets zaakje drijft, maar zich door den publiciteitsman laat overbluffen en zich diep in de schuld steekt om aan het te kwader ure getekende contract te voldoen. Dit wordt Laarmans, die als een Sancho Panza overal achter zijn Don Quichotte aansukkelt, te erg, en wanneer hij het schandegeld moet gaan incasseren, walgt hij van zichzelf. Maar als Boorman voor de variatie in pillen is gaan doen en, nu zijn oude dag verzekerd is, aan de arme gaat geven, heeft Laarmans’ menselijkheid niet voldoende weerstand kunnen bieden tegen het verleidelijk aanbod om, - natuurlijk op voor Boorman profijtelijke condities, - het Wereldtijdschrift over te nemen en de methode van zijn baas voort te zetten.

 

In Kaas is Frans Laarmans klerk op een scheepswerf en ook hier is hij weer het verloren schaap in de samenleving, het schuchtere mannetje, dat geen winkel durft uitgaan zonder iets te hebben gekocht en dat thuis tegenover vrouw en kinderen zich ook altijd een beetje de gedupeerde en de verongelijkte gevoelt.

 

Wat voor De Keizer de whistvereniging was, is hier voor Laarmans de bitterclub bij den rijken Van Schoonbeke, bij wien hij door zijn ouderen en voor hem gezaghebbenden broer, den dokter, is geïntroduceerd. Tussen de zakenlieden, die op dit bitteruur met allerlei voor den armen Laarmans onbegrijpelijke namen en termen schermen, is zijn onkunde in dezen een vernedering. En als hij, na zijn beschroomdheid met inspanning te hebben overwonnen, ook eens een duit in het zakje wil doen, is hij er steevast net naast! Nu biedt hem Van Schoonbeke zo bij zijn neus langs een agentschap in Hollandse kaas aan en deze intrede in de koopmansstand betekent een revolutie in het leven van den kinderlijken mens. Laarmans begint met een kantoor in te richten en een schrijfmachine te kopen en allerlei andere representatieve voorbereidselen te maken, maar als hij bericht krijgt, dat er werkelijk een voorraad kaas voor hem is aangekomen, weet hij er geen weg mee, en laat ze maar opbergen in de kelders van het Blauwhoedenveem, waar hij zich overtuigt dat ze veilig liggen. Doch hoe hij van deze kaas afkomen zal, - dit wordt hem een obsessie, en wanneer de Hollandse leverancier zijn komst aankondigt, is hij een catastrofe nabij. Gelukkig loopt alles tenslotte goed af en Laarmans is blij, als hij weer rustig als klerk op zijn scheepswerfkantoor zit en ook thuis weer de veiligheid om zich heen voelt van zijn brave, beste kinderen en zijn lieve vrouw.

 

Tsjip zou men de verheerlijking van het kleinburgerlijk familieleven kunnen noemen, indien niet de sentimentaliteit, welke hier af en toe doorbreekt, nog al te veel door de ironie overheerst werd. Laarmans wordt hier in het nauw gebracht doordat zijn dochter, die op de Handelsschool gaat, met een Poolsen medescholier aan de scharrel geraakt is en zijn vrouw hem tracht aan het verstand te brengen, dat hij als vader zijn standpunt hiertegen moet bepalen. Maar de arme sukkel, die overtuigd is dat hij een sul is, brengt het niet verder dan na te gaan, wat men van hem veronderstelt. “Ik moet nu iets doen, dat is zeker. En om goed te laten blijken dat er nog meer wilskracht in Vader zit dan zij wel denken, zeg ik luidop dat die hele comedie lang genoeg heeft geduurd, waarop ik een blik van mijn vrouw onderschep die zwaar is van minachting.”

 

Het huiselijk onweer wordt eerst beklemmend, wanneer de tantes en verdere familie met huichelachtige vriendelijkheid vrezen, dat er met het nichtje iets ergs is gebeurd en dat de Pool, die, na haar ten huwelijk te hebben gevraagd, naar zijn vaderland is teruggekeerd, haar in de steek zal laten. Doch de bui ontlast zich in een mals regentje, wanneer de huwelijkspretendent op normale wijze komt trouwen, men een ouderwetse bruiloft kan vieren en er na de door het fatsoen voorgeschreven tijd een jongetje wordt geboren, dat Laarmans als grootvader een nieuwe en waardige functie geeft. Met dit kleinzoontje, tegenover wien hij zich niet schuw, onhandig en verlegen gevoelt, kan Laarmans onbelemmerd zijn menselijkheid uitvoeren, en hij behoeft hiervoor nu niet meer terug te keren tot de gedachte aan zijn overleden ouders, die zowel in dit boek als in Kaas hem in catastrofale ogenblikken tot uitlaat voor zijn opgekropte gevoelens dienen.

 

De ironie van dit boek ontstaat behalve uit de wijze waarop de verteller solt met de poverheid van zijn figuur, uit de dooreenmenging van het ordinaire en het tragische. Ook in Kaas hebben we daarvan reeds tal van vermakelijke proefjes gehad. Laarmans komt bijv. op een avond laat thuis en trekt behoedzaam zijn kousen uit, als opeens aan de bel wordt getrokken. Dan staat hij “met kloppend hart en met mijn rechtervoet in mijn handen”. In Tsjip bergt zijn vrouw een brief op “in een koffertje, waar zij portretten en haarvlechten van onze kinderen in opslaat”. En in Pensioen begint de oude moeder “jammerend koffie te zetten”, en komt de zuster van Laarmans’ vrouw uit Parijs een begrafenisplechtigheid opluisteren, “ook omdat zij gehoord had, dat alles hier zo goedkoop was”. De oorlogsweduwe krijgt een huwelijksaanzoek van een netten man, die tien jaar ouder is. “Zij moest zich haasten, want hij had nog een tweede op het oog, maar zij had de voorkeur.” De kinderen, die met lede ogen een uitgave ter ere van de nagedachtenis van hun overleden broer door de oude moeder hebben zien afvallen van het moederlijk erfdeel, troosten zich dat er geen “nieuwe verspillingen van betekenis in het verschiet zijn”. De treurende moeder “verdeelt haar tijd tussen hare keuken en haar graf”.

 

In Pensioen is overigens van gezinsverheerlijking weinig overgebleven! Laarmans heeft echter in dit laatste boek een belangrijke verandering ten goede ondergaan. Haat tegen de onmenselijke hardheid van een moeder, die als een verscheurend beest haar jong zowel tijdens zijn leven als na zijn dood met een onredelijk egoïsme vertroetelt, heeft zijn zachte en weerloze menselijkheid wakker geschud tot een verdedigende en zelfs aanvallende houding. Hij is op zijn wijze een held geworden en toont inderdaad een mannelijk karakter in deze ongelijke strijd eerst tegen de onmenselijke moeder, die zijn schoonmoeder is, en daarna, wanneer dit oudje zelf suf, kinds en hierdoor weerloos geworden is, tegen haar kinderen, die thans op even onmenselijke wijze over haar geld gaan beschikken. Dit onbarmhartig realistische boek, waarin tussen al de galgenhumor over het kleinburgerlijk gezins- en familieleven de vlam der menselijkheid troostend oplaait, is voorlopig het laatste werk uit de Laarmans-reeks. Wij zijn overtuigd, dat Elsschot’s oeuvre hiermee niet beëindigd zal zijn, hetgeen een ogenblik was te vrezen na de verschijning van Tsjip, dat er met zijn eigenaardige opdracht en de parafrase daarvan aan het slot als een literair testament uitgezien heeft.

 

“Ik ben weer eens vast overtuigd”, aldus de schrijver ten besluite van Tsjip, “dat dit mijn laatste geschrijf zal zijn. Het gaat immers niet aan, voor iemand die vrouw en kinderen ten laste heeft, zich telkens af te zonderen om de leden van zijn gezin en zijn eigen binnenste van uit een hoek te gaan bespieden en ze een voor een onder het mes te nemen om uit hun bloed voor vreemden een filtraat te bereiden. Mijn plicht gebiedt mij op de brug te blijven in plaats van af en toe te komen kijken of het schip nog drijft. En moet ik na zo’n geploeter niet telkens weer gluiperig in mijn huiskring plaats nemen, als een die niets ontheiligd, die niets op zijn geweten heeft?”

 

Elsschot heeft zich niet aan zijn plicht kunnen houden en heeft met Pensioen opnieuw een uitstapje gemaakt zoals Laarmans dit deed van zijn scheepswerfkantoor naar de kaas, al is hij als auteur met zijn product beter geslaagd dan zijn alter ego als koopman. Wij vrezen voor hem, maar hopen voor zijn lezers, dat hij nog dikwijls na een dergelijk geploeter weer gluiperig in zijn huiskring zal plaats nemen!