Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

Een nieuw verhaal van Willem Elsschot. De epiloog van “Lijmen. Het been”

 
Zoek

 

Lode MONTEYNE

 

DE DAG
Zaterdag, 24 december 1938


I
OVER « LAARMANS» EN « BOORMAN»


In de romans, waarmede Willem Elsschot zich een ruime plaats in de na-oorlogse Vlaamsche letterkunde te veroveren wist – ze heetten « Kaas », « Tsjip », « Pensioen » - treedt telkens dezelfde persoonlijkheid naar voren, nl. Laarmans, welke door velen werd beschouwd, zooniet precies als een dubbelganger van den schrijver dan toch als een figuur, welke van zijn levensinzicht en van zijn moreele opvattingen een incarnatie was, Met de hulp van de persoonlijkheid van dezen Laarmans kon de auteur zich geheel uitleven, oprecht zijn tot de uiterste konsekwenties, eerlijk blijven tegenover zich-zelf zonder zich om vooroordeelen van welken aard ook te moeten bekommeren. Laarmans is, in onze letteren, een creatuur van niet minder eigenaardigheid en van niet geringer waarde dan b.v. de « Sjaalman », welke Multatuli schiep en waarmede hij zich gaarne vereenzelvigde. Hoeft het wel met nadruk gezegd, dat Laarmans en Sjaalman zich op zoo volkomen van elkaar verschillende plans bewegen, dat het niet in ons opkomt tusschen beiden een vergelijking te trekken. Overigens, alleen Laarmans interesseert ons. Wat hem als mensch van de menigte onderscheidt, karakteriseert ook de kunst van Willem Elsschot. Laarmans is de door het dagelijksch contact met de werkelijkheid, waaronder hij de naaktheid van de waarheid heeft ontdekt, ontnuchterde, van alle burgerlijke romantiek gezuiverde mensch, die zich inspant – en daarom snerpt er vaak een tragischer wanklank in de moeizaam nagestreefde, doch zelden bereikte harmonie van zijn bestaan! – om het leven te begrijpen, te doorgronden en zelfs te genieten zonder het daarom met bedrieglijke illusies te willen tooien…

 

Laarmans hebben wij het eerst ontmoet in « Lijmen », den zeer sterken roman, waarmede Elsschot na den oorlog, in 1924 – dit is twaalf jaar na zijn debuut met « Villa des Roses » in 1912 – weer in de literatuur opdook zonder de quasi vergetelheid, waarmee zijn naam reeds was omringd, onmiddellijk te kunnen overwinnen. In « Lijmen » was Laarmans niet alleen. Hij werd den lezer voorgesteld als de kweekeling van Boorman. (In de eerste editie stond Bohrmann). Hij was toen een man, welke een moreelen ruitijd doormaakte, er zich bewust van geworden was, dat hij zich van zijn romantische neigingen en sentimenteele idealen ontdoen moest om eindelijk aan te pakken, wilde hij zich nog met een plaats ook wat welstand veroveren in de wereld, waarvan hij de materialistische structuur nu erkende. Het was Boorman, welke hem tot volledige bezinning bracht zijn latente onvoldaanheid vorm gaf en deed verkeeren in een positieve nuchterheid, welke in wezen levens-aanvaarding bleek te zijn. Maar, terwijl het realisme van Laarmans altijd binnen de grenzen van het menschelijke bleef – misschien wel onder den invloed van zijn romantische, aan vele idealen gewijde jeugd, - was Boorman als de incarnatie van het cynisme, dat de strijd om het bestaan als een spel beschouwde, alles offert aan het te bereiken doel en voor hen, wien hierbij de rol van slachtoffers opgedrongen wordt, enkel misprijzen en spot over heeft… Hij vertegenwoordigde in het tweemanschap Laarmans-Boorman het demonische element. Is hij niet diegene, die moraal, idealisme, liefde volkomen verloochent om enkel te denken aan de voldoening van zijn egoïsme? Hij mist geheel wat Laarmans steeds met zeker geweld moet onderdrukken om zijn zelf-zekerheid te bewaren : menschelijkheid…

 

Velen, die Elsschot’s boeken lazen, hebben geen weerstand kunnen bieden aan de neiging om den schrijver te vereenzelvigen met Laarmans en Boormans, om zoowel « Lijmen » als « Kaas », « Tsjip » en « Pensioen », te beschouwen als nauwelijks geromanceerde brokken van een zonder eenigen schroom neergeschreven auto-biographie! In dit geval zouden Boorman en Laarmans twee verschillende, doch naar ’t wezen verwante aspecten van des schrijvers innerlijk voorstellen…

 

Wie met het ontwikkelingsproces van een artistiek temperament eenigszins vertrouwd is en dus weet hoe in de meest objectieve kunst de subjectieve elementen zeer sterk nawerken blijven, zal deze thesis niet zonder meer verwerpen… Hij zal er evenwel geen te groote beteekenis aan hechten! Hoezeer ook de meening toegedaan, dat de evolutie van den mensch al even interessant zijn kan als de ontwikkeling van den kunstenaar in den schrijver, toch blijft het Werk – dit wonderbaar kluwen van objectieve en subjectieve gegevens – hoofdzaak. Zoowel in Boorman als Laarmans zien we projecties op het plan der kunst van de persoonlijkheid van den akteur – van deze, welke hij in de realiteit is en ook van deze, welke hij zich in zijn verbeelding voorstelt te wezen. In elk geval zijn èn Laarmans en Boorman litteraire figuren van niet gering belang : incarnaties van een specifiek twintigsteeuwsch amoralisme, dat gepaard gaat met een zekere geestelijke superioriteit van heel bizonder allooi…

 

II
OVER « HET BEEN » EN « LIJMEN »

 

In « Het Been », het nieuwe verhaal van Willem Elsschot (Uitgave : P.N. van Kampen en Zoon te Amsterdam), krijgt eerst dan zijn volledige waarde, wanneer men het beschouwt als een vervolg op, liever als de « epiloog » van den roman « Lijmen », en meer bepaald van het meest typische, in wezen zelfs tragische deel van dit boek, datgene waarin sprake is van « De firma Lauwereyssen » (Kap. VIII en vlg.)…

 

Lauwereyssen is een smid uit Brussel : een simpel ambachtsman, die zich heel wat voorstelt over zijn onaanzienlijke zaak. Hij leeft alleen met zijn zuster, een dikke bejaarde vrouw van meer dan middelbaren leeftijd. Boorman slaagt er in deze twee menschen te overtuigen, dat zij hun zaak meer rendeerend zullen maken door een grootscher opgezette reclame. Hij wil er een groot artikel aan wijden in zijn zwendel-revue, die hij het « Wereldtijdschrift voor Financiers, Handel, Kunsten en Wetenschappen » heeft gedoopt. Duizenden exemplaren worden dan tegen grof geld aan die eenvoudige neringdoeners afgeleverd. Wie zou er zich niet laten vangen door den duivelschen Boorman, die niet alleen belangstelling laat blijken voor de loopende zaken, doch ook op gewichtigen toon spreekt over de mogelijkheid om het kleine bedrijf tot een groote naamlooze vennootschap te hervormen – welk grootsch plan hem niet belet aandacht te wijden aan het zieke been van juffrouw Lauwereyssen en haar een of andere kwakzalverij aan te bevelen.

 

Al deze betuigingen van vriendschap en interesse zullen Boorman niet weerhouden van zijn klanten een nauwgezette uitvoering van hun geldelijke verplichtingen te eischen ook dan wanneer ze in moeilijkheden verkeeren. De laatste afkorting wil hij echter wel kwijtschelden. Doch juffrouw Lauwereyssen, welke Boorman als een harteloos zwendelaar heeft leeren kennen, weigert die weldaad. Wanneer Laarmans het geld wil laten liggen, dreigt ze haar broer te roepen…

 

III
« HET BEEN »

 

In « Het Been » vinden we Laarmans, Boorman en juffrouw Lauwereyssen terug als hoofdpersonen van het drama. Laarmans vertelt hoe zijn baas, die intusschen weduwnaar is geworden en wiens cynisme daardoor plots veel van zijn onmeedoogende scherpte verloren schijnt te hebben, door berouw gekweld, alle middelen uitput om zijn slachtoffer van vroeger schadeloos te stellen. Hij heeft vernomen, dat juffrouw Lauwereyssen, sedert het sterven van haar broer, alleen de vervallen zaak beheert en best het geld gebruiken kan. Bovendien werd haar ziek been geamputeerd. En de gedachte, dat hij aan dit onheil niet vreemd bleef vermits hij de vrouw met haar geld ook de middelen ontstal om zich te laten genezen, kwelt Boorman, maakt zijn leven moeilijk en onaangenaam, belet hem in vrede te denken aan zijn overleden echtgenoote !

 

Is dan « Het Been » het verhaal van Boorman’s berouw ?… Slechts tot op zekere hoogte… Elsschot stelt enkel vast, dat de publiciteits-zwendelaar zich moreel onlekker voelt. Hij is weeker van gemoed geworden door het afsterven van zijn echtgenoote, waaraan hij vroeger toch niet zoo gehecht bleek en die geen rol in zijn leven scheen te spelen. De auteur dringt niet aan, verdiept zich niet in bizonderheden, beproeft het niet het ontstaan van dit berouw te verklaren of, zoals het heet, psychologisch te verantwoorden. Hij acht dit blijkbaar nutteloos. De lezer echter kan dit aanvoelen als een te kort. Niet altijd toch belichten de daden de verholen diepten van een geestestoestand van een geheel innerlijk conflict, zooals datgene waaruit al de peripetieën van het verhaal « Het Been » zich ontwikkelen…

 

Maar hechte wij, wanneer we aldus redeneeren, niet een té groote beteekenis aan het element « berouw », dan wanneer het den schijn heeft alsof de schrijver vooral den nadruk leggen wilde op de rol van het noodlot in het leven, waardoor de mensch altijd geplaatst wordt tegenover de gevolgen van zijn daden ? … « Ik ben mij gaan afvragen – zoo verklaart Laarmans – of al onze daden en gedachten niet achter ons aan wandelen, of zij niet een deel van ons zijn, ons gevolg, onze hovelingen, waaarvan de stoet aangroeit naar gelang wij zelf slinken, die wij evenmin negeeren kunnen als onze vleeschelijke kinderen en die misschien fluisterend nablijven, lang nadat wij zelf tot stilte gebracht zijn » … Een thema voor de « psychologie scientifique » van Paul Bourget, dat door Elsschot slechts wordt aangeraakt en niet uitgediept.

 

De schrijver denkt er blijkbaar niet aan deze thesis te illustreeren volgens de methodes van de psychologische introspectie. Ook niet de waarde of de inhoud van het berouw interesseert hem. Alleen om het bestaan er van is hij bekommerd en verder gaat zijn belangstelling naar de tribulaties, welke Boorman ondervindt van zoodra hij, om zijn knagend geweten te stillen, zijn slachtoffer restitutie doen wil… De vrouw volhardt in de houding, die zij (zie « Lijmen ») aannam, toen Laarmans op verzoek van Boorman haar de betaling van de laatste afkorting wilde kwijtschelden. Zelfs langs rechterlijken weg zal Boorman thans niet in zijn opzet slagen. Hij leeft als onder den invloed van een hallucinatie, die hem dag en nacht achtervolgen zou. Hij wil het oneerlijk verdiende geld absoluut kwijt raken en telkens stuit hij op de halsstarrigheid van de vrouw. Het is een priester, - een neef van Laarmans – welk eindelijk juffrouw Lauwereyssen kan vermurwen. Ten slotte neemt zij het geld aan en Boorman, geheel opgelucht, kan weer denken aan grootsche plannen, want zijn wezen bleef onveranderd. Laarmans houdt op de leiding te voeren over het « Wereldtijdschrift ». Boormans neemt de zaak opnieuw op zich. En triomfantelijk gaat hij weer den weg op van zijn noodlot.

 

Met een strenge logica, als ware het een wetenschappelijk betoog, heeft Elsschot ook weer dit verhaal opgebouwd. Er is daarin geen woord te veel. Het werd geschreven in een taal, welke de gladheid en den glans bezit van gepolijst staal. Maar daaronder voelt men toch de warme straling van het leven.

 

Wie « Het Been » als het relaas van Boorman’s berouw wenschen te beschouwen, zullen het boek onvoldaan ter zijde leggen. De auteur, welke alleen de feiten geeft met de daaruit voortspruitende oogenblikkelijke psychologische reacties, heeft de geestelijke achtergronden van het gebeuren nauwelijks belicht. Wanneer Boorman, geheel in den aanvang van de vertelling, verklaart, dat hij het geval met « het been », waarin ook Laarmans betrokken is, alleen uitvechten wil en dit besluit motiveert met de woorden: « want het beneemt mij ’t zicht op mijn vrouw » - dan zien we ons geplaatst vóór een raadsel uit het innerlijk leven van een mensch, dat nooit opgeklaard wordt !

 

In wezen biedt « Het Been » slechts een scherpere omlijning van het beeld van Boorman, zooals we hem reeds kennen uit « Lijmen ». Verder verduidelijkt het verhaal nog de verhouding tusschen Boorman en Laarmans, die erkent enkel een werktuig te zijn geweest in de hand van zijn demonischen patroon…

 

« Het Been », beschouwd als de voltooiing van « Lijmen », is een intermezzo in de productie van den auteur, waardoor er meer continuïteit is gekomen in het bestaan van Laarmans, den man, die zich te zwak voelt om Boorman langer te volgen en toenadering zoeken zal met het mesnchelijke, zooals verteld wordt in « Kaas », « Tsjip » en « Pensioen ».

 

Deze novelle schrijvend, heeft de auteur zich weer geheel ingeleefd in de sfeer van « Lijmen », dat misschien zijn meest cynische boek is omdat men daarin niet die glimpen van gevoel ontdekt, welke zijn later proza hebben doorlicht en ook niet die actieve tederheid, welke het beproeft zich achter schranderheid of ironie te duiken…