Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

W. Elsschot en zijn nieuw verhaal: «DE LEEUWENTEMMER»

 
Zoek

 

Lode MONTEYNE

 

DE DAG
Zaterdag, 4 januari 1941

KRONIEK VAN LETTEREN EN KUNST

Destijds schreef de Nederlandsche criticus, wijlen Menno ter Braak, een inleidend woord voor een van Willem Elsschot’s meest karakteristieke vertellingen, voor « Het Been ». Hij betoogt daarin, dat in het oeuvre van den Vlaamschen auteur, twee typische persoonlijkheden elkander afwisselden om op den voorgrond te treden. Nu eens was het Laarmans, die den boventoon voerde, dan weer Boorman. Beiden konden, tot op zekere hoogte, met den schrijver zelf worden geïdentificeerd. Beiden incarneerden verschillende aspecten van des schrijvers innerlijk wezen, verschillende uitingen van zijn temperament, verschillende vormen van zijn levensziening. Boorman komt naar voren als de volmaakte, volledig konsekwente, met zijn scepticisme vergroeide cynicus, die met een haast demonische vreugde, welke alle mogelijk berouw uitsluit, zijn slachtoffers domineert en uitbuit. Laarmans, die ook niet om een cynische daad verlegen is, lijkt meer een ontgoochelde idealist, die door vertoon van ongevoeligheid zijn gekneusde ziel voor verdere rampen wil vrijwaren. Als litteraire schepping bezit Boorman ongetwijfeld ’n groeikracht, die zijn wezen, ook dan wanneer het menigeen als weerzinwekkend voorkomen kan, naar het « grootsche » reiken doet. De Laarmans-figuur vertoont verhoudingen, die gewoon-menschelijk zijn. Om hem te karakteriseeren zal men niet, zooals dit wél voor Boorman het geval is, het adjectief « Balzaciaansch » ter hulp roepen. Hij staat midden in het gelijkvloersche leven met zijn groote en kleine zorgen, zijn rampen en vreugden, zijn komische en tragische intermezzi, zijn opstandigheden en zijn verteederingen. Het feit, dat hij de waarheid huldigt met een nuchterheid, die de brutaliteit nabij streeft, dat hij alle sentimentaliteit en de daarmee verbonden romantiek met een misprijzende grijns verwerpt, vermindert geenszins de kwaliteit en nog minder de zuiverheid van het menschelijk voelen, dat zich in de diepten van zijn wezen als het ware verbergt en daar schuil gaat met de vrees, dat het ruwe, niets ontziende leven zijn hart weer eens zou kunnen wonden en doen bloeden… Laarmans is een gevoelig mensch, die zich van zijn innerlijke kwetsbaarheid al meer en meer bewust werd sedert hij zich door de eischen van het bestaan gedwongen zag tot opgave van zijn idealen, en die zich derhalve pantserde tegen de aanstormende wereld.

 

Nu is het wàar, dat in het oeuvre van Elsschot, hetwelk zonder een « biecht » te mogen heeten toch een opvallend autobiographisch allure vertoond, dit aspect van des schrijvers persoonlijkheid, waaraan Laarmans de belichaming heet, al meer en meer op den voorgrond treedt. En dat heeft het wijken van het cynische voor het meer geweldige en het warm-menschelijke voor gehad. Naar Boorman, ook al wordt men door zijn koel en berekend super-egoïsme afgestooten, ziet men op. Hij heeft immers iets monumentaals ? Met Laarmans, den geheel onconventioneelen flapuit, die zich al evenmin om eenigen gecodificeerden godsdienst als om de voorschriften van een bepaalde moraal bekommert, kan men meevoelen, diep en innig sympathiseeren, omdat hij ten slotte toch met een verteedering, welke – ei zoo na ! – eerbiedig dreigt te worden, het leven in zijn hoog en laag ondergaat en aanvoelt. En deze Laarmans spreekt tot ons met zijn klaarste en warmste stem uit « Tsjip » (1935) en uit « De Leeuwentemmer » (1940), dat als het vervolg is van het vorige boek.

 

Minder uitvoerig dan in « Tsjip » wordt in « De Leeuwentemmer » het familieleven met zijn verwikkelingen geschilderd. Toch vormt het den zeer substantieele, met uitgesproken zin voor reliëf geschilderden achtergrond van het gebeuren, waartegen zich profileeren de figuren van den grootvader, de grootmoeder, den vader, de moeder en het kleinkind : den « leeuwentemmer ». Eigenlijk heet dit knaapje heel prozaïsch Jan. Maar in een brief aan zijn afwezigen zoon heeft de grootvader dezen kleinen Jan en zijn geestelijke bekommernissen, die zich rond de ongewone kracht van een leeuw cristalliseeren, op een zeer eigenaardige wijze geteekend. Dit kapittel, waardoor Jan’s bijnaam, « de leeuwentemmer », voor alle tijden gemotiveerd wordt, staat wel eenigszins buiten verhouding tot de overige deelen van het verhaal, maar is toch een waardevolle, want met onbevangen humor en werkelijkheidszin geschreven brok kinderpsychologie. Aan het beeld van dit jongetje heeft Laarmans-Elsschot met liefde en toewijding gearbeid. Die liefde heeft hem belet bij de voorstelling van het kleinkind de beheersching in acht te nemen, welke anders zijn werk kenmerkt en er een der eigenaardigheden van uitmaakt. Mogen we hem dit euvel duiden, waar hij er in geslaagd is de originaliteit van het kinderlijk denken en redeneeren zoo heel dicht te benaderen ? In den loop van het verhaal met zijn tamelijk bewogen episodes, neemt de auteur menige gelegenheid te baat om aan het beeld van « Jan » voort te arbeiden, om het te volledigen en te voltooiën, ondanks de storende inwerkingen van voortdurende gedaanteverwisselingen. Men gewaart, dat de auteur het beproeft de vluchtende stonde vast te leggen en met haar de poëzie, welke ze uitstraalt. Zoo wanneer hij vertelt van « het pakt der broederschap van de dorre bladeren », dat hij sluit vóór de afreis van den leeuwentemmer naar Danzig. « Met het oog op zijn nakend vertrek heb ik gisteren met hem een nieuw pakt gesloten waar hij ginder een tijdlang op teren kan. Bij ’t vallen van den avond liepen wij hand in hand door ons eenzame stadspark, tot over de enkels baggerend in dorre bladeren. In de verte werden lantaarns opgestoken, maar rondom was het bijna donker en doodstil. Tusschen oude beuken heb ik halt gemaakt en mijn zakmessen getrokken, want ik heb er twee. Een fatsoenlijk voor courant gebruik en een oud om mijn pijp te bikken. Het mooie heb ik hem in de hand gestopt en zelf het andere genomen. En toen zijn we zwijgend maar vastberaden opgestapt, al het gedierte voor ons uitjagend dat er niet was. Toen ik bij de poort onze wapens weer opborg heb ik hem van den grond gelicht en even aangekeken.
- Nu zijn en blijven wij de mannen van de dorre bladeren, heb ik gezegd.
- Ja, fluisterde hij, en niet bang.
- Voor niemand heb ik bevestigd. »

En dan is Jan, weinige dagen nadien, met zijn moeder vertrokken naar Danzig, naar zijn vader.

 

Alhoewel het kind de hoofdpersoon blijft, heeft de auteur, met de hem eigen scherpte en geestelijke luciditeit, het eerst latente, dan met kracht tot uiting komende conflict geteekend, dat de ouders van Jan van elkaar vervreemdt. Het is een botsing tusschen twee levensopvattingen, twee werelden. Adèle, de moeder van Jan, stamt uit een loslevend Vlaamsch gezin, dat alle leege vormelijkheid versmaadt en waar vrijheid geen ijdel woord is. Bennek, de vader van den « Leeuwentemmer » is een stugge « strever », op uiterlijk decorum gesteld (wil hij niet met een oogglas paradeeren ?), nauwlettend op standsverschil en behoorend tot een zeer vrome en vormelijk katholieke familie uit Polen.

 

Op luchtig-humoristische en toch diepdoordringende wijze heeft de auteur deze tweespalt vastgelegd, hierbij den nadruk leggend op de kleine, bijna onbeduidende incidentjes, welke in dergelijk familiaal conflict ten slotte als hoofdzaken gelden. In dezen gezinsroman van zeer bescheiden verhoudingen, waarvan elke episode door levensechtheid wordt geschraagd, heeft Elsschot zich andermaal doen kennen als een tot de essentie der feiten doordringend psycholoog. De omstandigheid, dat hij deze diepte misschien geheel onbewust bereikte, vermindert geenszins de waarde van deze vaststelling ! Zij bewijst enkel dat de kwaliteiten van een litterair werk des te opvallender zijn wanneer ze op zuivere spontaneïteit berusten. Door de levendige voorstelling van de contrasten tusschen de wereld van Adèle en deze van Bennek, speelt de suggestieve humor van den verteller, als een vlam, welke plots licht en schaduwvlekken verwekt of op verrassende wijze de verborgen bizonderheden van het zeer menschelijke conflict in volle klaarte zet.

 

Met de motieven, welke andere auteurs zouden aangewend hebben tot het bouwen van een zwaarwichtigen lijvigen familie-roman, stelde Willem Elsschot een verhaal samen, waarin voortdurend gepeild wordt naar het essentiëele en elke bizonderheid, omdat ze suggereerende waarde bezit, bijdraagt tot een sterke psychologische fundeering van het « geval ». Het verhaal « De Leeuwentemmer » zou ook kunnen heeten « De Strijd om het Kind ». Maar op dergelijken titel drukt het odium van de melodramatiek. En daarvan heeft Elsschot een afschuw. Dat Adèle het met Bennek niet harden kan, vinden haar ouders niet zoo erg. Dat een scheiding tot stand komen zal, achten ze een redelijke oplossing voor een onaangenaam probleem, dat zich enkel door de jaren nog verscherpen kan. Zoo kommer hen kwelt dan wordt deze gewekt door den vraag : wie van beiden, de man of de vrouw, zal het kind houden ? Eerst blijft de Leeuwentemmer bij zijn moeder. Later, wanneer deze hertrouwd is, weigert de vader zijn zoon, die bij hem eenigen tijd zou verblijven, weer terug te laten reizen naar Antwerpen. Het is een dagelijksch, bijna banaal geval, waarmee de doorsneê-literator verlegen zitten zou, tenzij hij een sprong in de romantiek wagen wilde. Elsschot heeft tegen deze bekoring niet moeten strijden. Hij hoefde maar zichzelven en waaraachtig te zijn om de weliswaar doodgewone, doch daarom niet minder werkzame tragiek bloot te woelen. Er is grootheid in den eenvoud waarmede de auteur deze episode behandelt – een grootheid, die, omdat ze van humor is doorflonkerd en van waarachtig gevoel doorademd, den lezer tot vertrouwelijk meevoelen stemt. Het hoogste heeft de auteur in dit opzicht bereikt in het hoofdstuk, waarin hij vertelt van het ontstaan van den in zorgvuldig gekozen termen gestelden brief aan Bennek, waarin over den terugkeer uit Polen van den « Leeuwentemmer » onderhandeld wordt. Het is de gewone realiteit, welke Elsschot weergeeft en toch wordt ze tot iets bizonders, waarvan geest en gemoed een blijvende indruk bewaren. Het is gesublimeerde werkelijkheid, die van het voorbijgaande de eeuwige elementen vestigt. Het einde van het verhaal van « De Leeuwentemmer » is, dat Adèle haar kind in Polen gaat opzoeken. Zij vindt het geheel veranderd. Reeds drukte een strenger opvoeding haar stempel op zijn wezen. De jongen is ook ziek. De moeder blijft tot de knaap weer gezond blijkt. Dan vlucht ze met hem naar het ouderlijk huis…

 

Het boek eindigt met een toespeling op den huidigen tijd. Omdat het oorlog werd kan Bennek zijn zoon Jan toch niet terugeischen. Later, als de storm tot bedaren is gekomen, kan alles worden geschikt.
Dit is nu het wonderbare : door het evokeeren van de actualiteit wordt toch het zuivere en algemeen-menschelijke wezen van Elsschot’s kunst niet aangeroerd. Het wordt er veeleer door bevestigd… Dat komt wijl de auteur tegenover de problemen van het leven, die hem interesseeren en die nimmer een uitzonderlijk karakter vertoonen, steeds de houding aanneemt van den veelbegrijpenden mensch. Zoo Elsschot in « De Leeuwentemmer » nog iets ànders bewezen heeft dan is het, dat hij een gevoelig hart bezit. Zijn zeer sobere, zakelijke stijl, waarvan de scherpe lijnen trouw de omtrekken der gedachte volgen, straalt warmte uit ! Kan dat wel anders waar « De Leeuwentemmer » ten slotte heeten mag : een boek van teederheid – de teederheid, van een mensch die alle literatuur versmaadt en maar één doel kent : zich geheel, in alle oprechtheid te veropenbaren en te geven !