|
Yvan De Maesschalck
Wie
het poëtische oeuvre van Hugo Claus enigszins genegen is, weet
dat het baldadig grossiert in erotische vrouwenbeelden. Claus
poëzie kan onder meer gelezen worden als een langaangebonden
heidens gebed voor de bejubelde, extatische, ongeremd zinnelijke
vrouw. Zij is van meet af aan aanwezig in zijn poëzie als de
belichaming van levenskracht en vitaliteit in hun zuiverste vorm.
Ze is mijn heidens altaar, / dat ik met vingers van licht
bespeel en streel, / Mijn jonge bos dat ik doorwinter(in Een
huis dat tussen nacht en morgen staat). Tegen de achterwand
van die voorstelling is de expliciete moederlijke variant veeleer
zeldzaam. Zo staat ze eenzaam op in zijn veelbesproken bundel De
Oostakkerse gedichten (1955), maar wel met zoveel vertederende
slagkracht dat dat ene gedicht van Claus meteen een moederdichter
heeft gemaakt. Al is het goed te bedenken dat nagenoeg elke Clausiaanse
vrouw (bijvoorbeeld in de veertiendelige cyclus Een vrouw)
uiteindelijk een moeder in spe is voor de in matriarchale
bindingen verstrikte zoon-minnaar1
Hoe
anders is het gesteld met de dichterlijke nalatenschap van Willem
Elsschot. Van de in totaal tweeëntwintig gedichten die als
Verzen in zijn Verzameld werk zijn opgenomen zijn
er vier aan (zijn) moeder gewijd. Als men Spijt meetelt,
zoals B. F. Van Vlierden doet2
en Aan Fine, zoals T.J.M. Versteeg voorstelt, komt het aantal
op zes3. Als men daarbij
rekening houdt met het feit dat de eerder in Forum verschenen
moedergedichten, op één na, tot de (tien) Verzen
van vroeger (1934) behoren, is het aantal moedergedichten verhoudingsgewijs
nog opvallender. Het ligt dan ook voor de hand dat Elsschot op totaal
andere gronden een moederdichter kan worden genoemd.
De
vaststelling dat beide Vlaamse schrijvers hun/de moeder ooit verzen
hebben toegedicht, volstaat nauwelijks om ze met elkaar te vergelijken.
Bovendien is Elsschot bezwaarlijk een geboren dichter te noemen4,
terwijl Claus ook niet-dichterlijke werk zich altijd van zijn
lyrische kant laat zien. Maar de vaststelling dat het eerste moedergedicht
van Elsschot en het eerste moedergedicht van Claus in meer dan één
opzicht met elkaar verwant zijn, wettigt zon vergelijking
hopelijk wel.
Laat
ik evenwel beginnen met te wijzen op een aantal opmerkelijke verschillen.
Zo heeft Elsschots gedicht een rustige strofische opbouw, waarbij
elke strofe een op zich staand kwatrijn vormt. Er zijn geen enjambementen
of hevige poëtische beelden; elk vers herbergt een mooi afgesloten
hoofd- of bijzin, vertoont met andere woorden een syntactische helderheid
die het hele gedicht lang wordt aangehouden. Hoewel Claus
gedicht ook strofisch is opgebouwd, zijn de strofen ongelijk van
lengte, en vallen de (bij)zinnen niet gedwee binnen het debiet van
een vers. Voorts verdeelt Claus bepaalde woordgroepen (de drift
/ Der jaren) of zinsdelen (mijn / Vaders voeten) over
twee verzen. Het gedicht van Claus is ontegensprekelijk syntactisch
complexer, al is de zinsbouw op geen enkel moment afwijkend of ontregeld
te noemen.
Een
opmerkelijker verschil is vanzelfsprekend de aanwezigheid van een
binnenhaakse tekst bij Claus5.
Het betreft een discursief gedeelte waarin over de moeder
wordt gesproken en een dialoog met het lyrische ik wordt aangehaald.
Een aldus ingebedde tekst is bij Elsschot niet aan te treffen. Hiermee
zijn, geloof ik, de opvallendste oppervlakteverschillen aangestipt.
Tenzij men nog even zou willen wijzen op het omarmend rijm in Elsschots
verzen en de volstrekte rijmloosheid bij Claus. Hoewel zou kunnen
worden gesuggereerd dat in formeel opzicht de poëtische traditie
(Elsschot) lijnrecht komt te staan tegenover de poëtische vernieuwing
(Claus), is enige voorzichtigheid niet misplaatst. Bij nader toezien
blijkt de rijmstructuur van Elsschots tweede strofe zich immers
te herhalen in die van de voorlaatste, waarbij de mannelijke (toe
/ toe // moe / gedoe) en vrouwelijke rijmen (lezen / vreezen
// weenen / nemen) zich in elkaar spiegelen. Daardoor ontstaat
niet alleen een hechtere interne samenhang maar worden de tussenliggende
strofen dichter tegen elkaar aan gedrongen, zodat (ongewild/onbedoeld?)
een middendeel (strofe 3 en 4) oplicht dat, met enige goede wil,
vergelijkbaar is te achten met Claus haakjestekst.
Meteen
is gesuggereerd dat, zelfs in formeel opzicht, de gelijkenissen
toch aanzienlijker zijn dan op het eerste gezicht blijkt. In Claus
tekst omsluiten de haakjes een persoonlijk verslag van een ik (de
zoon) over een zij (de moeder). Dat verslag staat tegenover de omgevende
tekst waarin datzelfde ik zijn moeder toespreekt. In Elsschots gedicht
bevat het hiervoor afgegrensde tussendeel een mijmering over de
zoon-moederverhouding, die in menig opzicht opponeert met de omliggende
ik-gij-strofen. De derde en de vierde strofe vertonen een wij-perspectief,
dat in de overige verzen ontbreekt6.
Uit vers 9 en 10 (Voorheen, als wop oudejaarsavond vergaard,
/ op moeders gezondheid eens dronken) blijkt duidelijk dat wij
naar een breder meervoud verwijst dan naar het dominante ik-gij-paar
van het gedicht. Wij slaat op de hele familiale bent, en
vanuit dat algemene standpunt is ook de verschuiving naar de derde
persoon (moeder) in vers 10 te verklaren. Het ik-gij-perspectief
wijzigt zich in een wij-haar-perspectief, al blijft de klemtoon
op de eerste en tweede persoon enkelvoud liggen. Zowel in Claus
tussendeel als in dat van Elsschot wordt veralgemenend over moeder
gesproken. Terwijl Claus daarvoor een beroep doet op formele middelen,
sorteert Elsschot min of meer hetzelfde effect door de derde en
vierde strofe volkomen symmetrisch op te bouwen. Zo spiegelen vers
9 en vers 13 zich in elkaar (voorheen versus nu; een
volkomen gelijksporig zinspatroon: tijdsbepaling + voorwaardelijke
bijzin; het al vermelde wij) en eindigen beide tussenstrofen
op een maar-tegenstelling. Op die manier trekken beide strofen
elkaar aan, terwijl het laatste vers van de tweede strofe en dat
van de vijfde (dan droomdik en sliep zonder vrezen // dat
de dood u eens mede kon nemen) dan weer een treffend voorbeeld
zijn van het antithetisch beginsel dat Simon Vestdijk
zo typisch acht voor de poëzie van Willem Elsschot7.
Overigens
moet eraan toegevoegd dat dergelijke naar elkaar knipogende verzen
de hele tekst van Elsschot lijken op te spannen. Een ander opmerkelijk
voorbeeld is de moeder-apostrofe die niet toevallig aan het begin
van het eerste en laatste vers optreedt. Soortgelijke parallellismen
kenmerken ook Claus gedicht, nu eens in de vorm van een variërende
herhaling (Toen gij schreeuwde en uw vel beefde / Vatten mijn
beenderen vuur/ ... / Toen uw vel schreeuwde vatten mij beenderen
vuur), dan weer in die van een letterlijke herhaling met anaforische
aanzet (Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde/
/ ben
ik niet, ben ik niet dan in uw aarde). Hoewel Claus een rijmloos
gedicht heeft geschreven, kunnen voormelde herhalingen beschouwd
worden als voorbeelden van gedachterijm8,dat
de afwezigheid van eindrijm a.h.w. compenseert.
Claus
moedergedicht en dat van Elsschot hebben dus, ondanks alle verschillen,
ook op vormelijk vlak een en ander met elkaar gemeen. Te veel om
er overheen te kijken, te weinig om ze zusterlijk bij elkaar te
plaatsen. Daarvoor is méér nodig. Parallellen op inhoudelijk
vlak bijvoorbeeld. Zo is er het feit dat het in de twee gevallen
herinneringsgedichten betreft, waarbij een achteromkijkend lyrisch
ik vroegere gezamenlijke momenten ophaalt. Claus ik herinnert
zich het moment waarop zijn moeder hem het leven schonk, waarop
hij zich één met haar voelde. Daaraan refereert o.m.
het belijdenisvers: ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Tegelijk stelt dat ik een vervreemding vast die zich later, d.i.
nu voltrekt: En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.
Een vers dat overigens als de herschrijving kan beschouwd worden
van een eerder door de moeder gesproken gedachte: Je bent
me ontgroeid.
Elsschots
ik haalt op een erg vergelijkbare manier een herinnering op aan
knusse momenten samen. De openingsverzen van het gedicht laten daar
geen twijfel over bestaan: Moeder, mij heugen de dagen maar nauw.
Wat volgt is een poging om de langvervlogen, bijna vergeten kindertijd
vast te leggen. Het gedicht etaleert daarbij, net als het vaak geciteerde
Het huwelijk, een zekere mate van elegische omslachtigheid9.
Tegelijk leidt de gedachte aan vroeger (aan voorheen) tot
een vergelijking met het huidige moment: En nu, als wij somtijds
tezamen weer zijn. Een vers dat een schaduw lijkt van het al
aangehaalde nu-vers van Claus, zeker als het gecombineerd wordt
met het slotvers van Elsschots gedicht: Moeder, zijn wij vervreemd
aan elkander? Ook hier hebben de jaren tussen het ik en het
gij een wig gedreven.
Dat
uitgesproken gevoel van vervreemding contrasteert hevig
met de alweer in beide gedichten aanwezige koestering van een welhaast
embryonale ik-gij-verhouding. Bij Elsschot is dat contrast des te
opvallender omdat de tegenstellende elementen tekstueel zo ver mogelijk
van elkaar verwijderd zijn, nl. in de openings- en slotstrofe. De
ik-figuur evoceert hoe hij s avonds slaap voorwendde om in
de schoot van zijn moeder te kunnen liggen. Het verlangen naar de
terugkeer in de moederschoot kan nauwelijks duidelijker worden uitgedrukt.
De ouder geworden zoon spreekt onomwonden over zijn infantiel-erotische
verhouding tot de moeder: in de schoot van de moeder komt hij tot
rust, door haar beademd (v. 4). Het doorgeven van leven en liefde
(adem), dat zich voor de geboorte aan de binnenkant voltrok,
herhaalt zich als het ware aan de buitenkant. De zo(r)gende moeder
wordt tegelijk gevat in een beeld van niet mis te verstane piëta-signatuur.
Als een verstilde madonna waakt de moeder over haar zoon. Door deze
(onbedoelde?) associatie ondergaat de hier afgebeelde moederfiguur
een zekere sacralisering: ze is niet alleen de persoonlijke moeder
van de ik-figuur, maar tegelijk een soort moederheilige aan wie
alle leven ontspringt. Deze sterke wederzijdse religieuze betrokkenheid
(re-ligio = ver-binding) maakt echter gaandeweg plaats voor zwijgen
(v. 11), terughoudendheid (maar ik durf u niet kussen als vroeger,
v. 16) en onwennigheid (laatste strofe). Tussen zoon en moeder hebben
zich de wetten van de opvoeding en de cultuur genesteld.
In
Claus gedicht wordt de lezer met nog meer aandrang teruggevoerd
naar de schoot van de barende moeder. Het gedicht opent met het
beeld van een geboorte, dat in de eerste strofe achter het haakjesgedeelte
wordt hernomen. De ik-figuur memoreert zijn geboortemoment en doet
daarvoor een beroep op een welbepaald betekenisveld. Bij nader toezien
lijkt Claus zich te bedienen van de isotopie10
van het kosm(olog)ische oerbegin. De woorden aarde, schreeuwen,
beven, vuur vatten, drift, dierenkoorts
(cf. de koorts van mijn lied, in Marsua) wijzen in
die richting. De zoon wordt dan ook niet zozeer geboren als wel
uitgedonderd/uitgestoten, vergelijkbaar met lava die vrijkomt bij
een vulkaanuitbarsting. Bovendien kan dit prehistorische
beeld een mythologische connotatie niet worden ontzegd. Zoals vooral
Paul Claes onomstotelijk heeft aangetoond, herkneedt Claus het overgeleverde
antieke materiaal voortdurend. En dat is ook hier het geval. De
aarde waarnaar wordt verwezen is de mythische moedergodin Gaea.
Uit haar wordt een godenzoon geboren. Zij is dan ook niet zomaar
een moeder, maar de moeder (mét bepaald lidwoord),
zoals de titel overigens aangeeft11.
De identificatie van de moeder met de aarde verklaart ook vs. 4-5:
de moeder, gevangen in haar vel, d.i. de aardkorst (of ook:
de vegetatie) verandert naar de maat der jaren, d.i. volgens
de wisseling der seizoenen. De verwijzing naar de zomer sluit daarbij
aan, alsook het voorlaatste vers: in mij vergaat uw leven wentelend.
Ook dat vers verwijst naar de cirkelgang der seizoenen.
Meteen
laat zich raden wie de mythische zoon van Gaea in dit gedicht kan
zijn: het betreft wellicht de Oudgriekse (kindervretende) Cronos,
die door Claus gelijkgesteld wordt met Chronos, de god van de tijd12.
De identificatie van de zoon met Chronos verheldert de ingebedde
tekst in aanzienlijke mate. De verouderende en zich toch weer regenererende
aarde heeft geen greep op de voortgang van de tijd: hoewel de huid
van de aarde en die van de tijd dezelfde dynamiek hebben (voortgang,
cirkelgang), is de tijdzoon voor de aardmoeder een onbereikbaar
kind geworden. Vandaar de trage en wellicht ook stil uitgesproken
bekentenis: Je bent mij ontgroeid. Vandaar ook
de toevoeging: en zij zwijgt / als een vrouw zonder mond.
Vandaar ook de verzen uit de slotstrofe: terwijl gij elke dag
te sterven staat, niet met mij / Samen. De tijd regenereert
namelijk altijd zichzelf, in onophoudelijke vernieuwing. Door zijn
jeugd heeft de tijd(zoon) een schijnbare voorsprong op zijn moeder.
Toch koestert de zoon hiermee enkel de illusie een zelfstandig
leven te kunnen leiden13,
zoals hierna nog zal blijken.
Het
plastische beeld van de schreeuwende moeder/aarde wint aan kracht
als men het plaatst tegenover de slotverzen van de haakjestekst.
Daar zwijgt zij /Als een vrouw zonder mond. Een opvallend
vers dat alleen maar te begrijpen valt tegen de achtergrond van
de overige Oostakkerse gedichten. In die gedichten is het motief
van het zwijgen immers opmerkelijk. Zo treedt het aan in het eerste
vers van het openingsgedicht De ingewijde: De ingewijde
heeft geen lippen, de kraamvrouw zwijgt. Paul Claes, die aan
dit gedicht een afzonderlijke beschouwing heeft gewijd, interpreteert
het zwijgen als (een) bewuste onwil of onkunde om te communiceren.
Een ingewijde is iemand aan wie een geheim is
toevertrouwd, gecommuniceerd14.
En daarom zwijgt. Op basis van dezelfde redenering kan het zwijgen
van de moeder geïnterpreteerd worden als het rituele zwijgen
van een ingewijde die deel heeft aan een àndere, numineuze
werkelijkheid die door de ingewijde noch door de kraamvrouw
genoemd mag worden15.
Waarin ze precies ingewijd is, wordt niet uitgesproken. Wellicht
in het doorgeven van leven (genesis/geboorte), wat meteen geldt
als het doorgeven van de dood (apocalyps). Beide levensuitersten
zitten vervat in het melodische vers: Ik ben niet, ik ben niet
dan in uw aarde (v. 1 en 24).
Hoewel
bovenstaande interpretatie Claus moedergedicht plotsklaps
erg ver van Elsschots gedicht lijkt te verwijderen, bevat ze ook
een paar aanknopingspunten. De naderhand zwijgende moeder die bij
Claus aantreedt, zou evengoed in Elsschots gedicht kunnen wonen.
Uit elk vers spreekt een non-verbale, exclusief op haar zoon bedachte,
niet-communicatieve moeder de lezer tegemoet. De zoon verbreekt
in of door dit gedicht zijn eigen zwijgzaamheid (v. 11) en biedt
het zijn moeder aan als een aanzet tot dialoog. Tekenend in dit
verband zijn de indringende vragen die de ik-figuur rechtstreeks
tot zijn moeder richt in de slotstrofe. De eventuele antwoorden
blijven in ieder geval buiten beeld. De aanspreekhouding
van de zoon verleent Elsschots verzen dan ook een
sterk retorisch karakter16.
Een
ander punt van overeenkomst betreft de verwijzing naar de sterfelijkheid
van de moeder. De ik-figuur in Elsschots gedicht realiseert zich
dat de dood haar eens mede kon nemen. De leven schenkende
moeder roept met andere woorden ook het beeld op van de dood. In
eerste instantie haar eigen dood, maar onderhuids ook die van de
zoon. Hiermee wordt een punt aangestipt dat niet alleen kenmerkend
is voor dit gedicht, maar voor alle moedergedichten van Elsschot17.
Aan mijn moeder (Antwerpen 1904) opent als volgt: Ik heb
gedroomd, o moeder / dat gij op sterven laagt, terwijl in het
vaker gebloemleesde Moeder (Parijs, 1907) een grimmige dialoog
met de dood voorkomt. Ook in zijn proza, met name in Kaas
(1933), wordt Laarmans moederfiguur gecast nét voor/na haar
dood, een moeder die vroeger en nu door elkaar haalt en uiteindelijk
gelaten gaat liggen, hoezeer Laarmans haar innerlijk ook bevel
gaf rechtop te komen zitten en de hele bende met haar geduchte glimlach
uiteen te drijven. (
) Zij lag zo stil als alleen een dode
liggen kan (Verzameld werk, p. 423). De (nog levende)
moeder uit het eerste moedergedicht is onmiskenbaar de vroegere
versie van de pas overleden moeder uit Kaas en nauw verwant
met de moeders uit de overige teksten van Elsschot. Zo verschijnt
ze merkwaardig genoeg in een door Laarmans gepleegd gedicht, dat
de ik-verteller zich voor de geest haalt in Lijmen
(1924), maar ook in Verzen is opgenomen18.
Jaren later boetseert Elsschot een ongewoon slagvaardige moeder
in Pensioen (1937). Over haar zegt (diezelfde?) Laarmans:
Als ik ooit iets hoor van een wereldkampioenschap voor moeders
dan laat ik haar inschrijven (Verzameld werk, p. 611).
De heiliging die in het eerste moedergedicht aantreedt, wordt blijkbaar
in de laatste (proza)moedertekst nog altijd gehandhaafd19.
In
Claus gedicht is de verstrengeling van geboorte en dood nog
inniger. Het beginvers (niet dan in uw aarde) kan immers
gelezen worden als een verwijzing naar het feit dat de moeder mét
de geboorte ook de dood (de aarde) doorgeeft. Of anders gesteld:
door een zoon te baren, wordt de moeder voor eeuwig aangetast door
verval en vergankelijkheid; door geboren te worden neemt de zoon
de sterfelijkheid van de moeder over20.
In die zin is de zoon terecht de genode maar dodende gast.
En hoewel de moeder haar zoon met nieuwe levenskracht associeert
(achtste strofe: en houdt / De honden in mij wakker), is
de schijnbaar opbeurende gedachte dat hij de zomer is
ook een doodsgedachte21.
Nog duidelijker klinkt het in de laatste strofe: Terwijl gij
elke dag te sterven staat. Vanaf de geboorte is blijkbaar een
wedren ingezet naar de dood, waardoor de moeder haar zoon niet meer
kan inhalen: gij keert / Niet naar mij terug, van u herstel ik
niet. Binnen hetzelfde betekenisveld kan het vers En onbeweeglijk
zijn de krekels in mijn stem gelezen worden als een verwijzing
naar de dood. De krekels braken onophoudelijk en onzichtbaar een
krassend geluid uit waardoor de moeder aan haar nakende levenseinde
wordt herinnerd. De krekels in mijn stem zijn op te vatten
als une sorte de bruit de fond
on peut le comparer
à un ronflement sourd, parfois accompagné dun
grincement22.
Zoals
het gedicht van Elsschot uiteindelijk kan worden beschouwd als een
wezenlijke bouwsteen van het volledige werk, kan Claus gedicht
met profijt worden gelezen samen met andere Clausteksten. In eerste
instantie met het al geciteerde De ingewijde, maar ook met
het onsterfelijk mooie Marsua uit dezelfde bundel. Op basis
van zijn lectuur van Frazers The Golden Bough, dé
Fundgrube waaruit Claus zijn kennis van de vegetatiemythen
heeft betrokken23, komt
Paul Claes tot de bevinding dat Marsyas een moederlied voor
Cybele componeerde en dat dit lied een pendant vindt
in het feit dat Claus in De Oostakkerse gedichten het gedicht
De moeder opnam24.
De moederfiguur zelf keert als een door haar zoon begeerde al-moeder/oermoeder/moedergodin
(Cybele, Artemis, Demeter, Gaea) in versluierde gedaante in vele
gedichten (o.m. in het befaamde Livia-gedicht), verhalen en romans
terug. Dat de moeder van de uit Afrika teruggekeerde René
Cattrijsse Alma (al-ma = al-moeder) heet in De geruchten
(1997) is dus geen toeval. Maar ook Alesandra en Alice in De
verwondering (1962) en de overleden stammoeder in Omtrent
Deedee (1963) zijn heropstandingen van de in Claus gedicht
geportretteerde moeder. Vooral laatstgenoemde tekst laat zich verbinden
met het moedergedicht: Deedee zou er als (de onmachtige) Cronos/Chronos
optreden, die uiteindelijk door zijn zoon Claude wordt
afgewezen, en wél precies op het rituele jaarfeest ter ere
van de Moedergodin25.
Aangezien
moeder en zoon een zo centrale plaats bekleden in beide teksten
laat het zich raden dat er voor een vaderfiguur nauwelijks plaats
overblijft. Bij Claus wordt de vader een passieve rol gegund in
de laatste strofe van de ingebedde tekst. De moeder blijkt er de
voeten van vader te wassen. Binnen de context van de oedipale driehoek
(moeder-zoon-vader) kunnen de voeten symbool staan voor de mannelijke
genitaliën/testes26
en kan dit bijbelse beeld (moeder = Maria van Magdala?) een erotisch
geladen betekenis hebben. De moeder alludeert op haar verhouding
met de vader om de vitale jaloezie van de zoon te wekken en zo wellicht
de door haar vastgestelde ontgroeiing (alsnog) ongedaan
te maken. In Elsschots gedicht is er voor de vader geen enkele rol
meer weggelegd. Hij komt in het stuk niet voor. De oedipale band
tussen moeder en zoon wordt er dan ook, bij ontstentenis van een
vader, verstoord door externe factoren, door wat het ik zijn dagelijksch
gedoe noemt. Hiermee is niet gesuggereerd dat in de andere moedergedichten
geen vaderfiguur zou optreden. Die is er nadrukkelijk wél,
maar nooit lijkt voor hem de motorische of inspiratorische rol weggelegd
die de moeder wel degelijk toekomt.
Dat
Elsschot zich bewust is geweest van het belang van zijn
moederfiguur blijkt onder meer uit het feit dat hij in maart 1939
te Rotterdam een causerie heeft gehouden over het moedermotief
in zijn werk. Niet alleen beklemtoonde hij toen het literaire belang
van dat motief, maar ook de existentiële inslag ervan: Elsschot
verklaarde zijn moeder te hebben gegriefd. Zijn moedergeschriften
hebben de onuitgesproken bedoeling gehad het door hem aangevoelde
tekort aan filiale aandacht via een veelvuldig, zij het soms ironische
huldebetoon enigszins te slechten27.
De
Elsschottiaanse moederfiguur heeft naast een tekstimmanente en religieuze
ook een autobiografische dimensie. En dat geldt ongetwijfeld ook
voor de belijdende ik-figuur. Het is dan ook leuk dat na de Korthalsscène
in Lijmen Boorman een portret tekent dat hij aan Laarmans
als ideaalbeeld voorhoudt. En toen de trein even stil stond,
nam hij een potlood en schetste vrij behendig een behoorlijke kop
met een korte stekelige snor (Verzameld werk, p. 279).
Die kop en die snor hebben altijd bij Elsschot zelf gehoord. Beslist
even leuk is het vast te stellen dat in Claus oeuvre de waterscheiding
tussen het lyrische en biografische ik al even dun is. In Het
verdriet van België (1983) beschrijft de auteur Louis Seynaeve
als volgt: Ziet ge dat dan niet?, vroeg Louis
en toonde de man zijn geblutst West-Vlaams profiel van Papa en Peter
(p. 757). Dat profiel is tot vandaag dat van Hugo Claus zelf gebleven.
Ongewild knipogen beide portretjes naar elkaar, zoals ook beide
prachtige moedergedichten dat doen. Portretjes die er meteen aan
herinneren dat ook een dichterlijk ego zijn bestaansrecht
ontleent aan een historisch ik van vlees en bloed.
Noten
1
Paul Claes, Nawoord, in: Hugo Claus, De Oostakkerse gedichten,
De Bezige Bij, Amsterdam, twaalfde druk, 1986, p. 66.
2
B.F. Van Vlierden, Willem Elsschot, Desclée de Brouwer,
Brugge, 1958, p. 35.
3T.J.M.
Versteeg, De themas van Elsschots poëzie, in:
Annemarie Kets-Vree (red.), Over Willem Elsschot. Beschouwingen
en interviews, Uitgeverij BZZTôH, s-Gravenhage,
1982, p. 228.
4
Frans Smits, Willem Elsschot. Zijn leven / zijn werk en zijn
betekenis als prozaschrijver en dichter, H&S Publishers,
Utrecht, 1976, p. 113. Zie echter ook Jan C. Villerius, in: Wieneke
t Hoen en Vic van de Reijt (red.), Elsschot leest voor.
De briefwisseling tussen Willem Elsschot en Jan C. Villerius,
Querido, Amsterdam, 1999, p. 149 (Het is dan ook geen toeval
dat hij voor zijn proza put uit zijn verzen, en niet andersom)
en Simon Vestdijk, De wortelstok der Forumpoëzie, in:
Annemarie Kets-Vree, Over Willem Elsschot. Beschouwingen en interviews,
p. 78 (Willem Elsschots poëzie behoort tot de omtrekken
van zijn figuur, niet als de dikste lijn, maar wel als een der beslissendste).
5
De variantenstudie van Peter Roelens en Edward Vanhoutte (Een
huis dat tussen nacht en morgen staat. Varianten bij Hugo Claus,
Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie
voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, 1998) leert dat Claus,
voor wie een gedicht nooit echt af is, nauwelijks iets verandert
aan de positie van de haakjes.
6
Het wij in de laatste strofe verwijst alleen naar het belijdend
ik en de aangesproken gij, moeder, en verschilt dus van het familiale
wij uit de derde en vierde strofe.
7
Simon Vestdijk, De wortelstok der Forumpoëzie, p. 78.
8
Zie H. van Gorp e.a., Lexicon van literaire termen, Wolters,
Leuven, 1998, p. 325.
9
Deze fraaie formule is ontleend aan Gerrit Komrij, In liefde
bloeyende. De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met
de twintigste eeuw in honderd en enige gedichten, Bert Bakker,
Amsterdam, 2000, p. 241.
10
De term isotopie (= betekenisveld) is ontleend aan A.J. Greimas
en wordt graag gebruikt bij de analyse van metaforen. Zie bijvoorbeeld
Paul Claes, De animale dichter, in: Claus Quadrifons.
Vier gezichten van een dichter, Dimensie, Leidse opstellen,
1987, p. 16 e.v.
11
Terwijl de moederfiguur gesacraliseerd wordt in het gedicht De
moeder, wordt de vaderfiguur denigrerend als Een
vader voorgesteld. Aldus Georges Wildemeersch, De
snelschrijver onder de linde. Een interpreterend onderzoek van de
relatie tussen mens, natuur en bovennatuur in Hugo Claus Oostakkerse
gedichten, Wilrijk, Universiteit Antwerpen, 1984, p. 173.
12
Over de gelijkstelling van Cronos met Chronos, zie Paul Claes, De
mot zit in de mythe. Hugo Claus en de oudheid, De Bezige Bij,
Amsterdam, 1985, p. 131 en Georges Wildemeersch, De snelschrijver
onder de linde, p. 133.
13
Georges Wildemeersch, Hugo Claus of Oedipus in het Paradijs,
Nijgh & Van DitmarSonneville, s-GravenhageBrugge,
1973, p. 196.
14
Paul Claes, Gedicht geopend. Hugo Claus: De ingewijde,
in: Dietsche Warande & Belfort, 1991/1, p. 90.
15
Georges Wildemeersch, De snelschrijver onder de linde, p.
37.
16
Zie Marcel Janssens, Willem Elsschot als dichter, in: De
maat van drie. Essays over literatuur, Davidsfonds, Leuven,
1984, p. 164. Georges Wildemeersch noemt ook De moeder een
aanspreekgedicht (De snelschrijver onder de linde,
p. 51).
17
T.J.M. Versteeg, De themas van Elsschots poëzie,
p. 228. Vgl. ook Marcel Janssens, Willem Elsschot als dichter,
p. 167.
18
Zie daarover, Jan C. Villerius in: Elsschot leest voor, p.
144-145. (Het betreft het moedergedicht dat zich in het Verzameld
werk onmiddellijk achter het hier besproken gedicht bevindt,
maar in de eerste vier drukken van Verzen niet voorkomt.)
19
Zie Jan C. Villerius, in: Elsschot leest voor, p.120 (Er
is relatie tussen de Moeder-verzen en Pensioen).
20
Georges Wildemeersch, Hugo Claus of Oedipus in het Paradijs,
p. 195.
21
Georges Wildemeersch, De snelschrijver onder de linde, p.
177 (Zoals bekend wordt de vegetatiegod geacht in de zomer
te sterven).
22
Michel Houellebecq, Les particules élémentaires,
Flammarion, Parijs, 1998, p. 105.
23
Georges Wildemeersch, Kroniek 1950-1955, in: Het teken
van de ram. Jaarboek voor de Claus-studie 2, 1996, p. 154 en
p. 158. Volgens de kroniek schaft Claus zich Frazers boek aan in
mei 1954 door toedoen van Hans Andreus, d.w.z. ettelijke maanden
na publicatie van Notas voor een Oostakkerse cantate (de
oerversie van De Oostakkerse gedichten) in Tijd en Mens
(december 1953).
24
Paul Claes, De mot zit in de mythe, p. 154 en Paul Claes,
Claus-reading, Manteau, Antwerpen, 1984, p. 118. Zie ook
Georges Wildemeersch, Hugo Claus of Oedipus in het Paradijs,
p. 173.
25
Paul Claes, De mot zit in de mythe, p. 131-132.
26
Cornelis Verhoeven, Symboliek van de voet, Damon, Best, 1998,
p. 92-99.
27
Jan C. Villerius, Elsschots dwaallicht is een tocht naar Bethlehem,
in: Annemarie Kets-Vree, Over Willem Elsschot. Beschouwingen
en interviews, p. 250-251.
Bijlage:
de gedichten
Aan
mijn moeder
Moeder,
mij heugen de dagen maar nauw
toen ik s avonds in slaap mij gebaarde
om te rusten in uw schoot, en ik soezend, toch flauw
voelduw adem die steeds mij bedaarde.
Gij droegt mij te slapen, gij dektet mij toe
en deedt mij gebedekens lezen;
k hield uw hand in mijn handjes, mijn ogen dicht toe:
dan droomdik en sliep zonder vreezen.
Voorheen,
als wop oudejaarsavond vergaard,
op
moeders gezondheid eens dronken,
heb
ik steeds vol ontroering het zwijgen bewaard,
maar
k omhelsdu met ogen die blonken.
En
nu, als wij somtijds tezamen weer zijn,
t
is nog alles hetzelfde lijk vroeger:
dan
praat ik van liefde, van vreugde en van pijn,
maar
durf u niet kussen als vroeger.
Uw
handen zijn grof en uw oogen wat moe,
ik
heb u zo dikwijls doen weenen,
en
er nooit aan gedacht in mijn dagelijksch gedoe
dat
de dood u eens mede kon neemen.
Wij
hebben elkaar in zo lang niet omarmd,
werd
ik soms wat te groot of te schrander,
gij
te dof en te oud? Is onze liefde verarmd?
Moeder,
zijn wij vervreemd aan elkander?
Antwerpen
1902
(Geciteerd
naar Willem Elsschot, Verzameld werk, vierde druk, 1960,
p. 726)
De
moeder
Ik
ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen
gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten
mijn beenderen vuur.
(Mijn
moeder, gevangen in haar vel,
Verandert
naar de maat der jaren.
Haar
oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der
jaren door mij aan te zien en mij
Haar
blijde zoon te noemen.
Zij
was geen stenen bed, geen dierenkoorts,
Haar
gewrichtn waren jonge katten,
Maar
onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar
En
onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.
Je
bent mij ontgroeid, zegt ze traag mijn
Vaders
voeten wassend, en zij zwijgt
Als
een vrouw zonder mond.)
Toen
uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij
legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik
was de genode maar de dodende gast.
En
nu, mannelijk word ik u vreemd.
Ge
ziet mij naar u komen, gij denkt: Hij is
De
zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De
honden in mij wakker.
Terwijl
gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen,
ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In
mij vergaat uw leven wentelend, gij keert
Niet
naar mij terug, van u herstel ik niet.
(Geciteerd
naar Hugo Claus, Gedichten 1948-1963, Amsterdam, 1972)
|