Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

Elsschots Kaas en Tsjip en het tijdschrift Forum

 
Zoek

 

Prof. Dr. M. Dr Smedt, Campusbibliothecaris Facuilteit Letteren, K.U. Leuven

 

Op 16 februari 1933 schrijft Alfons De Ridder, alias Willem Elsschot, aan de in Brussel wonende Nederlandse journalist, dichter en criticus Jan Greshoff dat hij een nieuw boek heeft geschreven, ‘en wel in den recordtijd van veertien dagen’. ‘Ik had de laatste jaren een paar maal geprobeerd, maar tevergeefs. En ditmaal heb ik mezelf 'in toom moeten houden’. Het nieuwe werk (Kaas) is volgens Elsschot aan Greshoff te danken. Immers, toen ze een paar weken eerder (op 21 januari) samen te Antwerpen bij Ary Delen waren, had Elsschot Greshoff bij het opengeslagen Lijmen horen zeggen: ‘1923. Dat is tien jaar’. Een uitspraak die hem heeft ‘gegriefd en goed gedaan’ en als ‘zweepslag’ heeft gefungeerd. Elsschot overweegt het nieuwe werk af te staan voor opname in het tijdschrift Forum. Hij moet nu naar eigen zeggen ‘nog wat polijsten en dan overtypen’, maar tegen 1 april zal alles klaar zijn. Reeds vijf dagen later (op 21 februari) echter laat hij Greshoff weten dat het werk af is en dat hij Kaas aan hem heeft opgedragen. Op 24 februari stelt Elsschot Greshoff voor zijn nieuw werk te komen voorlezen: de lectuur zal ‘ongeveer twee uur, misschien iets meer’ duren, en het manuscript telt ‘90 getijpte velletjes’.

 

Een week later, op 2 maart, heeft Elsschot Kaas inderdaad voorgelezen in de werkkamer van Ary Delen in het Plantijn-Moretusmuseum te Antwerpen. Naast Delen waren Jan Greshoff, Jan van Nijlen en Bob van Kampen aanwezig. Ary Delen getuigt dat Elsschot bij het lezen van het laatste hoofdstuk begon te snikken, zodat hij de lectuur moest overnemen (Brieven, p. 101). ‘s Anderendaags schrijft Elsschot een belangrijke brief aan Greshoff, waar we zo dadelijk op terugkomen.

 

Ondertussen heeft Elsschot zijn werk ter publicatie aangeboden aan het tijdschrift Forum. Op 10 maart stuurt hij aan Forum-redacteur Menno ter Braak enkele bladzijden nieuwe tekst, met name ‘paginas 92 tot 95, ter vervanging van de bestaande pagina 92’. (De paginering moet betrekking hebben op de overgetypte tekst, want het eigenlijke handschrift pagineert slechts tot p. 76). Elsschot heeft het slot uitgebreid; hij wil namelijk dat de toon van het begin (de sterfscène van de moeder) aan het slot terugkeert (in de kerkhofscène die wordt toegevoegd). De beginscène ‘moest vooral dienen om direkt inzicht te geven in de gevoelige persoonlijkheid van de hoofdpersoon’; door het toevoegen van de kerkhofscène zorgt hij ervoor ‘dat mijn kaas verpakt wordt tusschen twee moeders’, zoals hij het plastisch formuleert.

 

Forum-redacteur E. du Perron schrijft op 11 maart aan Greshoff dat hij Kaas gelezen heeft, dat het kan opgenomen worden in Forum, en dat hij in tegenstelling tot Menno ter Braak het slot ‘verreweg het beste’ vindt, namelijk ‘daar waar Elsschot de tragedie van de kaas waar maakt’. (Het gaat hier nog om het oorspronkelijke slot, dus zonder de kerkhofscène, want pas op 15 maart wijst Ter Braak hem op het bestaan ervan.) Het hoofdstuk over de dode moeder (in het begin) vindt hij niet zo superieur, en de stijl van Elsschot imponeert hem ook al niet: ‘deze manier van in zakelijke zinnetjes de boel af te draaien is bij Elsschot persoonlijk verwerkt, maar als procédé is het dat van iedere roman-feuilleton, en het rhythme ervan hindert mij wel eens’. Hij vindt Kaas niet beter dan Lijmen en Elsschots beste werk blijft voor hem Villa des Roses.

 

Tegenover Ter Braak zelf herhaalt Du Perron op 12 maart dat hij het einde, ‘de débâcle van de kaas’, beter vindt dan het begin. En over Elsschots stijl: zeker niet beter dan Ter Braaks Dr.Dumay, ‘al is dit procédé van zakelijke zinnetjes en veel nieuwe alinea's op het eerste gezicht aardiger. Maar imponeeren doet het me geen bal. Het laat zich weer niet herlezen!’. Een paar dagen later, op 15 maart, antwoordt Ter Braak dat Kaas zich inderdaad niet laat ‘overlezen’, maar toch ‘een goedgeschreven boek’ is. Hij deelt Du Perrons opinie niet wat betreft het begin: ‘Dat vond ik werkelijk uitstekend’. Ter Braak laat tevens weten dat Elsschot het slot heeft omgewerkt, ‘zoodat de moeder (als lijk) nog even terugkomt’.

 

KAAS: DE MISLUKKING VAN DE FIRMA ‘GAFPA’
Kaas is dus in een recordtempo tot stand gekomen. Elsschot heeft zichzelf 'in toom moeten houden', het werk is als 't ware uit hem gevloeid. De symboliek van het baren ligt vlakbij. Op 3 maart schrijft hij aan Greshoff: ‘De transactie in Kaas is slechts een gelegenheid om mijzelf ledig te pompen’ (Brieven, p. 102). ‘Waar zwangerschap bestaat volgt het baren van zelf, ten gepasten tijde’, luidt de laatste zin van de inleiding op Kaas. Elsschot formuleert hier één van de belangrijkste voorwaarden tot het scheppen van grote kunst: zwanger te gaan van een idee. Schrijven is dan zichzelf leegpompen, baren.

 

Kaas is geschreven met het oog op, en in het perspectief van de mislukking van het kaasavontuur. Nochtans handelt het werk niet alleen, zelfs niet in eerste instantie, over kaas. Elsschot zegt dat zelf wanneer hij op 10 maart Menno ter Braak zijn herwerkte slotbladzijden toestuurt: ‘Nu is nog één ding te doen. Begin en eind weglaten. Maar dan wordt het werkelijk een kaasgeschiedenis en dat was de bedoeling niet’ (Brieven, p. 106). Niet louter een kaasgeschiedenis dus. Wat dan wel?

 

De lectuur van Kaas als een roman over de harde zakenwereld waarin Laarmans mislukt, ligt voor de hand. Maar er zijn de jongste jaren ook andere interpretaties gegeven. Volgens Elsschots jongste dochter Ida zou Kaas een sleutelroman zijn: de bollen kaas zouden staan voor de onverkochte exemplaren van Lijmen, en de hele kaasgeschiedenis zou een symbool zijn voor de tegenvallende verkoop van Elsschots werk, vooral van Lijmen, dus voor de miskenning van zijn literair werk . Ook de toevoeging van hoofdstuk XV in 1942 moet in dit perspectief worden gezien. Laarmans wordt in dit hoofdstuk gekozen tot voorzitter van de Vakbond van Belgische Kaashandelaren, en moet in die hoedanigheid aan het hoofd van een delegatie naar de minister. Guido Lauwaert meent in de vier delegatieleden Greshoff en de Forum-redactieleden Du Perron, Ter Braak en Maurice Roelants te zien (op Roelants na de Nederlandse redactieleden). Anderen -- Vic van de Reijt, Jean Surmont, en ook Ida De Ridder -- menen er de Vlaamse Forum-redactie in te herkennen (Herreman, Gijsen, Walschap en Roelants), met wie Elsschot in aanvaring kwam naar aanleiding van het verschijnen van Tsjip. Wat er ook van zij, zowel de lectuur van Kaas als roman over de publiciteits- en zakenwereld, als de lectuur als sleutelroman voor de literaire wereld is juist. Overigens, elke interpretatie die het kernthema van het werk recht doet, is valabel. Dat kernthema, de centrale thematiek is de ontsnappingspoging van de ik-figuur uit de dagelijkse sleur, de mislukking van die poging en de berusting in die mislukking. De hele kaasgeschiedenis is het skelet waaraan de ontgoocheling en de mislukking van de hoofdpersoon vlees moet worden, maar de kaas zelf is niet belangrijk. Elsschot gebruikte de zakenwereld alleen omdat hij daar het best in thuis was, en zijn ideeën in die wereld het best tot leven kon laten komen. ‘Hecht dus niet te veel belang aan de handelstransactie, want ik kies die niet voor de aardigheid, niet om origineel te doen, maar voor mijn eigen gemak omdat ik dan op een familiaar terrein ben waar ik minder moet zoeken dan elders’, schrijft hij op 3 maart 1933 aan Greshoff (Brieven, pp. 102-103). Fundamenteel is de roman de tragedie van de mislukking. Dit is het ‘Leitmotiv’ waarover Elsschot het in de inleiding op Kaas heeft, en dat moet uitmonden in het ‘slotakkoord’, het débâcle van de kaasgeschiedenis.

 

In dezelfde brief van 3 maart aan Greshoff schrijft Elsschot dat het dramatische van de dingen niet zit in wat er gebeurt, ‘maar in den indruk die het gebeurde op den toeschouwer maakt’. De schrijver moet ‘zijn persoonlijk tragisch gevoel (om het even waar het om gaat) zoo in woorden [...] brengen dat het kan overgaan in de ziel van derden, [...]’. Vrij vertaald: niet de kaasgeschiedenis op zich is belangrijk, maar wel de tragedie die erachter schuilt, die in de hele roman als mogelijkheid de lezer in de ban houdt en op het eind harde werkelijkheid wordt. Maar of het nu onverkochte kaas of een ander handelsproduct is, of het onverkochte boeken zijn of ondergewaardeerd werk is, centraal staat: de persoonlijke tragiek van de mislukte ontsnappingspoging uit de dagelijkse sleur.

 

Een uitgewerkte versie van de ideeën in deze brief van 3 maart vervat, vormt de inleiding op Kaas, die ongetwijfeld rond dezelfde tijd is geschreven. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat deze inleiding niet tegelijk met het kaasverhaal voltooid was. Op 2 maart las Elsschot Kaas al voor; pas op 18 maart bezorgt hij aan Greshoff ‘een opstel over Stijl’ zoals hij het noemt, en vraagt hij of het geschikt zou zijn voor Forum (Brieven, p. 113). Op 25 maart schrijft Ter Braak aan Du Perron: ‘Er is een gek essay van Elsschot binnengeloopen. Ik ben er zeer voor, hoewel het begin wat onhandig is.’ Twee dagen eerder, op 23 maart, had Elsschot Ter Braak al een brief geschreven waaruit blijkt dat deze al positief had gereageerd. Wellicht had Ter Braak in zijn brief de verbinding gelegd tussen het opstel en Kaas; Elsschot schrijft althans: ‘Wat je zegt over 'een inleiding tot Kaas' is zeer eigenaardig, want ik moet erkennen dat het studietje onder den invloed -- en onder 't denken aan -- Kaas geschreven werd. Ik zal het misschien door V. Kampen in Kaas doen inlasschen, als een soort Inleiding of Woord Vooraf’ (Brieven, p. 117).

 

De ideeën in deze inleiding kunnen duidelijk worden gerelateerd aan de inhoud van de reeds vermelde brief van 3 maart, en in feite aan de roman Kaas zelf.

 

In de inleiding wordt stijl verbonden met het tragische: ‘Uit de hoogste stijlspanning wordt het tragische geboren’ (p. 3). Dat tragische is fundamenteel menselijk: ‘In 's menschen lotsbestemming zelf is alles tragisch’ (p. 3). Het tragische is een kwestie van intensiteit, van afwisseling, van blauwe lucht en wolkengevaarten, van stilte en gongslagen. ‘In de natuur zit het tragische in 't gebeurde zelf. In kunst zit het meer in den stijl dan in wat er gebeurt’ (p. 9). Een haring is op zich niet tragisch, maar kan wel tragisch geschilderd worden. In de literatuur zorgt de opeenvolging van woorden voor een skelet (= een verhaal, een plot) ‘waar stijl op gesmeerd kan worden’ (p. 10). Het skelet zelf is bijzaak, is niet belangrijk, ‘want de hoogste stijlspanning kan bij 't miniemste gebeuren worden bereikt’ (p. 10). Belangrijk is dat wat men wil uitbeelden moet kloppen met de eigen gemoedstoestand: ‘Probeer niet te schelden als gij niet toornig zijt, niet te schreien als uw ziel droog staat, niet te juichen zoolang gij niet vol zijt van vreugde’ (p. 12). Van bij de aanhef moet de auteur ‘het slotakkoord’ in 't oog houden. Hij moet het geheel in functie daarvan concipiëren en uitwerken; dan zal hij alle langdradigheid vermijden en geen overtollige uitweidingen maken, ‘omdat hij zich telkens afvragen zal of ieder van zijn details wel bijdraagt tot het bereiken van zijn doel’ (p. 11).

 

De ideeën over het tragische, de stijlspanning, de beknoptheid in de schriftuur, de aandacht voor het slotakkoord in Elsschots inleiding op Kaas, kunnen we toetsen aan de ontstaansgeschiedenis zoals die met name is af te lezen van het manuscript en uit de vergelijking tussen het handschrift en de eerste druk.

 

Zoals gezegd breidde Elsschot een paar weken na het schrijven van de eerste Kaas-versie het slot van het werk uit, en voegde hij in 1942 nog een hoofdstuk toe aan het boek. Maar ook de eerste versie, het eigenlijke manuscript, bestaat uit verschillende lagen. Elsschot bracht verbeteringen aan en voegde links en rechts zinsnedes en passages toe. De eerste druk is opnieuw uitgebreid ten opzichte van de laatste laag van het manuscript. Het valt daarbij op dat een aantal scènes zowel op het manuscript (en daar zelfs in diverse etappes) als in de gedrukte tekst steeds verder zijn geëxpliciteerd.

 

Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren.

 

Op de avondlijke vriendenbijeenkomsten ten huize Van Schoonbeke wordt ook Laarmans uitgenodigd. Tussen al die rechters, advocaten en kooplieden voelt hij zich als arme kantoorklerk echter in het geheel niet thuis. In de gesprekken over verre reizen, over de toestand van de eigenaars en over belangrijke relaties komt hij niet aan bod. In de eerste laag van het manuscript staat er in dit verband niets over restaurants. Elsschot brengt dit thema ter sprake in de toegevoegde tekst in de marge en ter linkerzijde, dus in een latere ‘schrijflaag’ (p. 12 en 12 verso). Een van de vrienden meldt dat hij vorige week samen met z'n vrouw in Dijon ‘une bécasse’ (een snep) heeft gegeten, waarop een ander hem antwoordt dat hij dan ‘une escapade avec madame’ (eerst stond er ‘un nouveau voyage de noces’) heeft gemaakt. (De dialogen ten huize Van Schoonbeke worden op het manuscript in het Frans gevoerd!). De vrienden noemen dan allerlei restaurants op, en Laarmans waagt ook een naam van een gelegenheid waarover hij jaren geleden gehoord heeft van een schoolkameraad: ‘Le Jean Bart à Dunkerque est aussi très bien’. Maar hij heeft pech: een van de aanwezigen weet te vertellen dat dat restaurant al jaren gesloten is.

 

In de eerste druk (p. 34-35) weidt Elsschot hier nog wat verder uit: Laarmans houdt de naam van het restaurant klaar tot er een gunstig ogenblik komt. De heren hebben het over allerlei Franse steden die verder weg liggen, maar wanneer er één een restaurant in Rouen citeert (‘Rouen is niet ver van Duinkerken’) acht Laarmans het moment gekomen deel te nemen aan de conversatie: ‘De Jean-Bart in Duinkerken is óók uitstekend’. Laarmans wacht met spanning op het effect van zijn boude uitspraak, maar zelfs met dit korte zinnetje valt hij uit de toon.

 

In twee etappes heeft Elsschot de restaurant-episode toegevoegd, eerst op het handschrift, daarna verder uitgewerkt in de gedrukte versie. De betekenis van deze episode is duidelijk: Laarmans past niet in het gezelschap van Van Schoonbekes vrienden; de kantoorklerk bij de General Marine and Shipbuilding Company is er door de gastheer wel voorgesteld als ‘mijnheer Laarmans van de Scheepstimmerwerven’ (p. 29), maar bij het minste dat Laarmans zegt maakt hij zich belachelijk. Door deze episode in te lassen, stelt Elsschot Laarmans' onbeholpenheid in dit gezelschap in evidentie.

 

Ondertussen heeft Van Schoonbeke ervoor gezorgd dat Laarmans vertegenwoordiger wordt voor een Nederlandse kaasfirma. Na lang zoeken kiest de kersverse kaashandelaar als firmanaam ‘Gafpa’, een letterwoord voor ‘General Antwerp Feeding Products Association’.

 

In de ontstaansgeschiedenis van hoofdstuk XIV (pp. 108-112) , over de aanstelling van de agenten die de kaas aan de man zullen moeten gaan brengen, zijn tenminste vier stadia te onderkennen.

 

Op het manuscript (p. 62) stond aanvankelijk alleen de beginalinea. Daarin zegt Laarmans dat hij dertig agenten heeft aangesteld, verspreid over 't hele land, maar dat er geen bestellingen binnenkomen. Deze passus is in concentrische bewegingen tot een volledig hoofdstuk uitgedijd. Vooreerst is er op het manuscript op de versozijde van p. 61 de episode bijgeschreven waarin Laarmans de Brusselse agenten gaat opzoeken: de ene blijkt op het opgegeven adres onbekend en de andere heeft geen interesse voor de kaasgeschiedenis. Vervolgens is de beschrijving van de selectie van de agenten toegevoegd (p. 60 verso) , waarbij in de marge nog een korte uitweiding staat over de sollicitant die openhartig zegt dat hij honger heeft en van Laarmans een bol kaas cadeau krijgt.

 

In de gedrukte versie is de passage nogmaals uitgebreid met een passus over de tewerkstelling van Laarmans' schoonbroer als agent voor Antwerpen en over de layout van de bestelbons (pp. 110-111). Laarmans had eerst nog gedacht zelf Antwerpen te ‘bewerken’, doch dan zou er geen permanentie zijn op zijn kantoor, en: ‘Wat zou het publiek van de Gafpa gaan denken als die niet eens antwoord gaf aan de telefoon?’ (p. 110).

 

De uitbreidingen waarvan sprake, het verhaal over de uitvoerige selectieprocedure voor de aanstelling van de agenten, de beschrijving van de opmaak van de bestelbons, het relaas over het bezoek aan de Brusselse agenten, zijn allemaal functioneel in het geheel van het werk. Zij dragen bij tot de explicitering van de tegenstelling tussen enerzijds de formele gewichtigheid waarmee Laarmans zijn functie van directeur van de Gafpa opvat en anderzijds de reële onmogelijkheid kaas te verhandelen via de zogenaamde ‘agenten’, gedemonstreerd in de twee Brusselse agenten.

 

In het volgende hoofdstuk (XV in het boek, XIII in het manuscript) wordt Boorman geïntroduceerd. In het manuscript is hij nog niet aanwezig.

 

Het hoofdstuk heeft in het handschrift diverse lagen. In de eerste laag zegt de ik-figuur (Laarmans) dat hij een brief uit Amsterdam heeft gekregen waarin Hornstra meedeelt dat hij volgende week de eerste twintig ton kaas komt afrekenen. Ten einde raad heeft Laarmans zijn ‘mandvalies’ genomen, er een bol kaas ingestopt, en is vervolgens naar de kaaswinkel gegaan in de hoop daar wat te verkopen. Ter linkerzijde voegt Elsschot een passus toe waarin Laarmans nadenkt over de manier waarop hij in de winkel zijn kaas zal proberen aan de man te brengen. ‘Mijnheer, ik kom speciaal van Amsterdam om U 't monopolie /voor Antwerpen/ van onze volle vette Gafpakaas aan te bieden, na genomen informatie over uw firma’. Dat moet het doen! Want als de winkelier niet koopt, is de hele reis vanuit Amsterdam nutteloos geweest en is bovendien ons vertrouwen in de firma geschonden. ‘Na genomen informatie’ impliceert dat we niet over één nacht ijs zijn gegaan, en ‘onze’ betekent dat de hele Nederlandse kaasindustrie achter mij staat -- aldus Laarmans (p. 62 verso). Op de keerzijde van de volgende bladzijde (p. 63 verso) heeft Elsschot nog een alinea ingelast, waarin Laarmans zich bezint over de manier van binnenkomen in de winkel: je kan namelijk binnenkomen als een ‘man van zaken, maar ook als een bedelaar’.

 

Pas in de gedrukte versie treedt Boorman op in deze passage. Laarmans' oog valt op een advertentie van Boorman in Le Soir; de man is raadgever ‘voor kooplieden en agenten die moeite hebben met hun verkoop’ en woont nota bene in de ‘Villa des Roses’ in Brasschaat. Daarop gaat Laarmans naar Boorman teneinde goede raad in te winnen. Elsschot legt nu Laarmans' gedachten zoals we die in het manuscript vinden, in Boormans mond: over het binnenkomen in de kaaswinkel en over de uit te spreken woorden ter introductie. De ik-figuur uit het manuscript wordt ‘wij’: ‘wij zijn speciaal van Amsterdam gekomen [...]’ impliceert immers dat er een volledige officiële commissie gekomen is -- aldus Boorman (p. 116).

 

De introductie van Boorman op deze plaats is een vondst. De ideeën die in de toegevoegde passages op het manuscript aan Laarmans worden toebedeeld, horen zó thuis in de gedachtenwereld van Boorman. Dit is de Boorman van Lijmen, dit is de man die zonder problemen tienduizenden exemplaren van het Wereldtijdschrift kon slijten, en die met de tonnen kaas ook wel weg zou hebben geweten!

 

Niet aldus Laarmans! Hij vangt direct bot, want de winkeldirecteur blijkt zelf een groothandelaar in kaas te zijn, die overigens nog voor Hornstra heeft gewerkt.

 

Het is duidelijk dat Elsschot ook in deze passage zijn verhaal van laag naar laag, van versie naar versie, als het ware in concentrische cirkels laat uitdijen. De betekenis van de passage mét haar toevoegingen is duidelijk: wanneer Laarmans er eindelijk toe besluit zelf op pad te gaan om zijn kaas te verkopen, mislukt hij jammerlijk ondanks de goede raad van rasverkoper en adviseur Boorman; maar Laarmans is -- in tegenstelling tot Boorman -- geen zakenman.

 

In hoofdstuk XIV in het manuscript (pp. 69-71) -- XVII in het boek (pp. 125-132) -- neemt Laarmans het besluit aan de ‘kaasellende’ een einde te maken. Per taxi brengt hij de doos kazen die in zijn kelder stond naar de patentkelder waar ook de andere kazen staan en waar ze door Hornstra kunnen worden opgehaald. Dit gegeven is te vinden in de vrij korte eerste laag in het manuscript. Daar is in tweede instantie in margine een verwijzing naar Laarmans' moeder bijgeschreven (‘Wat een geluk dat zij die kaasramp niet bijwoont’ p. 71), en op de linkerzijde een uitweiding waarin Laarmans zich afvraagt waarom hij überhaupt in het kaasavontuur gestapt is; heel eenvoudig omdat hij niet graag iets weigert en op de vraag van Van Schoonbeke is ingegaan (p. 70 verso). Elsschot verwijst naderhand naar deze passus, wanneer hij aan Greshoff poogt uit te leggen dat hij zich een ogenblik verzoend had met het weglaten van de omstreden Leda-passus uit Tsjip. Net zoals Laarmans is hij te meegaand (brief van 1.3.1934. Brieven, pp. 171-172).

 

In de gedrukte versie van boek en tijdschrift (of was het reeds op het typoscript?) zijn in dit hoofdstuk nog twee passages ingelast. Vooreerst is er het bezoek van de zoon van notaris Van der Zypen, die Laarmans een samenzweerderig voorstel komt doen om geld van zijn vader, de notaris los te krijgen voor de kaasonderneming; dat geld zouden ze dan onder hun beiden kunnen verdelen (pp. 125-126). Maar Laarmans is Boorman niet, en met zo'n voorstel is de jongeman bij hem aan het verkeerde adres.

 

Een andere passage die voor het eerst in de gedrukte versie voorkomt, is Laarmans' beschouwing over zijn ‘prestige van man en vader’. Als kantoorbediende die officieel op ziekteverlof is moet hij ongezien kaas verkopen, alsof het een misdaad is. En wat moeten zijn kinderen denken over die kaasoperette? En dan is er nog zijn broer de dokter, die hem wel een ziekteattest heeft bezorgd, maar nu discreet aan Laarmans' vrouw vraagt of die kaaskwestie nog niet afgelopen is, ‘zooals men naar den toestand van een stervende informeert’ (pp. 129-131).

 

Het is opmerkelijk dat de toegevoegde alinea's en passages nogal eens te maken hebben met verwijzingen naar het gezin Laarmans of naar Laarmans' overleden moeder. Allicht wil Elsschot in hoofdstuk XVII de ruwe en leugenachtige zakenwereld, vertegenwoordigd door notariszoon Van der Zypen (en in een vorig hoofdstuk door Boorman), stellen tegenover de in wezen huiselijke wereld van Laarmans: de man die wel een escapade waagt in de zakenwereld, maar daar niet thuishoort, en overigens naar zijn kantoorkruk zal terugkeren. De toegevoegde passages moeten deze problematiek nog meer in evidentie stellen.

 

In het verlengde hiervan ligt de inlassing van hoofdstuk XXII (pp. 144-147) over het kerkhofbezoek, een hoofdstuk dat op het manuscript volledig ontbreekt. Het moet eveneens de gevoelige persoonlijkheid van Laarmans illustreren.

 

De geciteerde voorbeelden mogen volstaan om aan te tonen dat Elsschot in een aantal concentrische bewegingen de nucleus van zijn verhaal, dat in een eerste versie in een paar weken voltooid was, heeft laten uitdijen tot de Kaas-novelle zoals ze in 1933 werd gedrukt in Forum en in boekvorm verscheen. Van versie naar versie, van laag naar laag, heeft hij gestalte gegeven aan de problematiek van de in wezen huiselijke kantoorklerk die een uitstap naar de zakenwereld doet - meer algemeen: de problematiek van de ontvluchtingspoging uit de dagelijkse sleur en de mislukking van die poging. De geleidelijke uitdijing van een relatief kleine nucleus tot een wat substantiëler geheel is Elsschots manier van schrijven die we ook bijvoorbeeld in Een Ontgoocheling en in Lijmen aantreffen.

 

TSJIP: ‘GEWILDE EENVOUD’
Met ingang van 1934 werd de oorspronkelijk Nederlands-Vlaamse redactie van Forum gesplitst in een afzonderlijke Vlaamse en een Nederlandse redactie. Langs Vlaamse kant zouden naast Maurice Roelants (die ook in de oorspronkelijke redactie zat), Raymond Herreman, Gerard Walschap en Marnix Gijsen zetelen.

 

Op 7 december 1933 zegt Elsschot in een brief aan Menno ter Braak terloops dat hij aan een nieuw boek werkt (Brieven, p. 137). Een week later (15 december) meldt hij aan Greshoff, die Elsschots nieuwe werk Tsjip graag in zijn tijdschrift Groot-Nederland had geplaatst, dat hij Marnix Gijsen reeds beloofd heeft Tsjip aan Forum af te staan (p. 139). Overigens wordt Elsschot op 16 december ten huize Walschap ontboden (beide auteurs woonden in dezelfde straat), en hij verneemt er van de voltallige Vlaamse Forum-redactie dat ze met de publicatie van Tsjip in maart wil beginnen. Hij kan zijn werk derhalve niet meer terugtrekken. Wel belooft hij Greshoff dat zijn volgend boek voor Groot-Nederland zal zijn ‘of beter gezegd voor het tijdschrift van uw keuze’ .

 

Tsjip zal van juli tot november 1934 in Forum gepubliceerd worden, en in hetzelfde jaar verschijnt het tevens in boekvorm. Het werk handelt over het huwelijk van Adèle, de oudste dochter van Laarmans (= Elsschot), met de Pool Bennek Maniewski, en de geboorte van de kleinzoon Jan (= Tsjip).

 

Is het manuscript van Tsjip niet bewaard gebleven, uit de briefwisseling kunnen we toch een en ander vernemen over de ontstaansgeschiedenis van het werk. Op 19 december 1933 kan Elsschot Greshoff melden dat Tsjip voltooid is (Brieven, p. 142). Naar goede gewoonte leest de auteur het nieuwe werk voor, ditmaal bij Greshoff in Brussel (op 5 januari 1934). Greshoff moet Elsschot gesuggereerd hebben een en ander aan te vullen, want reeds op 8 januari vraagt Elsschot hem p. 63 uit het manuscript (dat blijkbaar nog bij Greshoff was) te vervangen door p. 63 A tot H. Dit komt neer op de inlassing van de hoofdstukken XVI (over de terugkeer van Adèle en Bennek) en XVII (over het kerkelijk huwelijk, Laarmans' uiteenzetting over de geloofswaarheden die daaraan voorafgaat, en het snelle afhandelen van een en ander door de pastoor). Elsschot beweert dat hij de twee nieuwe hoofdstukken op verzoek van Greshoff heeft bijgeschreven, en hij meent dat ze aan Tsjip ‘een philosophische tint’ zullen toevoegen (Brieven, p. 145).

 

Nochtans is hij over inhoud en strekking ervan niet gerust. Reeds op 12 januari maakt hij zich tegenover Greshoff zorgen over de term ‘Rolverdeeling’ met betrekking tot de drie Goddelijke Personen (zie ook Laarmans' uiteenzetting over de geloofspunten). Tevens bezorgt hij Greshoff een nieuwe pagina 63F waarop hij de zinsnede over Laarmans' broer, de dokter die met z'n fiets naar de kerkelijke huwelijksplechtigheid wou komen, heeft toegevoegd (Tsjip, p. 106), getuige Elsschots vraag aan Greshoff: ‘Hoe vindt [sic] je 't samenbrengen van die bruid en die fiets’ (Brieven, pp. 146-147).

 

Op 1 februari geeft Elsschot aan Greshoff blijk van nog meer bezorgdheid: in de scène (in het toegevoegde hoofdstuk XVI) over ‘de onverwachte terugkomst van mijn dochter’ (merk hier de volledige identificatie van Elsschot met Laarmans!) heeft hij de zinsnede gebruikt: ‘Kwam onze geliefde vorst Leopold II terug, wat zouden wij met hem aanvangen?’ . En in dezelfde brief schrijft Elsschot: ‘Lea [sic] en de zwaan blijven er in, want dat is niet te vervangen’ (Brieven, p. 157). Waarop doelt Elsschot hier?

 

Laarmans probeert zijn dochter als voorbereiding op haar kerkelijk huwelijk onder andere het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria uit te leggen. Maar zo eenvoudig is dat niet: ‘Zij vraagt of zoo iets mogelijk is en spreekt van Leda en de zwaan. Maar ik doe haar opmerken dat het die zwaan ernst was, terwijl hier een geestelijke bevruchting leven verwekt heeft’ (Tsjip, p. 104).

 

Op 15 februari wenst Marnix Gijsen Elsschot geluk met Tsjip en stelt hij snelle publicatie in Forum in het vooruitzicht. Maar 's anderendaags laat Gijsen hem weten: ‘Dat de episode met den pastoor mij niet bijzonder aantrekt, zal u niet verrassen maar ik vind die ten slotte niet onaanneembaar. Indien ik U mijn bezwaar mag doen kennen dan gaat dit tegen dien eenen passus waar gij spreekt over de Onbevlekte Ontvangenis en Leda en de zwaan. Dat kan er voor katholieke redactieleden moeilijk door. Zou het U veel kosten dit te schrappen? U zou er mij groot genoegen mee doen en mij uit een neteligen toestand redden’. Gijsen voegt er wel aan toe dat hij dit in zijn persoonlijke naam vraagt (Brieven, pp. 159-161).

 

Elsschot verwondert er zich in zijn antwoord over dat de episode met de pastoor Marnix Gijsen niet bevalt. Hij meent daarentegen een sympathieke pastoor geschetst te hebben; de scène is zeker aanneembaar, ‘want het is een trouw relaas van de werkelijkheid’; bovendien heeft Elsschot de scène eerst nog aan een pastoor voorgelegd die ze perfect vond. In verband met Leda doet Elsschot het voorstel de passus in Forum te schrappen en in de boekuitgave op te nemen. Wel moet Gijsen er dan mee akkoord gaan desgevraagd ‘die eventueel geschrapte Leda’ als zijn ‘wettige dochter te erkennen’ (brief van 20 februari aan M. Gijsen. Brieven, pp. 162-163). Dezelfde dag nog herhaalt Marnix Gijsen dat de Leda-passus hem kwetst als katholiek, dat hij er niet de verantwoordelijkheid kan over nemen, en dat hij denkt dat Walschap ook van dat gevoelen is. Wanneer de passus wordt geschrapt, zal hij nooit ontkennen dat dit op zijn verzoek gebeurd is (Brieven, pp. 163-164).

 

's Anderendaags (21 februari) doet Elsschot Marnix Gijsen nog een ander voorstel: hij kan Greshoff vragen er bij Maurice Roelants op aan te dringen Tsjip voor Groot-Nederland af te staan. De Forum-redactie is dan meteen van het boek met het Leda-probleem verlost. Elsschot legt er de nadruk op dat de hele scène van het kerkelijk huwelijk achteraf is bijgeschreven, en nog geen deel uitmaakte van het boek op het ogenblik dat hij het aan de Forum-redactie bezorgde. Indien dat wel het geval was geweest, had hij het niet aangeboden, ‘want ik wist vooruit dat het voor u allen lastig en onaangenaam zou zijn’ -- aldus Elsschot (Brieven, p. 165-166). Merkwaardig detail: in deze brief aan M. Gijsen zegt Elsschot dat hij de beide hoofdstukken op verzoek van zijn dochter heeft bijgeschreven, terwijl hij op 8 januari meedeelde de hoofdstukken op Greshoffs verzoek te hebben toegevoegd.

 

Op 25 februari verklaart Elsschot zich tegenover Marnix Gijsen akkoord de passage te schrappen, tenzij het vervangen van ‘Onbevlekte Ontvangenis’ door ‘Heilige Boodschap’ voor de redactie zou volstaan om de Leda-passage toch te kunnen opnemen (Brieven, pp. 168-169). Twee dagen later stelt Elsschot Greshoff in kennis van de tussen hem en Gijsen gevoerde briefwisseling: ‘Ik geloof dat dit de eerste maal is dat Forum het verlangen uitdrukt dat een passage geschrapt wordt, niet om zijn litteraire minderwaardigheid, maar wel om de wenschen te voorkomen van een [sic] eenige katholieken’. Elsschot verwijt Gijsen, die als hoofd van de redactie voor Vlaanderen de kat de bel moest aanbinden, niets, maar hij meent dat Walschap achter de schermen zit. De laatste zinnen van Elsschots brief verdienen te worden geciteerd: ‘O verlicht Vlaanderen. Zou een mensch zich potverdomme niet definitief van die heele Vlaamsche Beweging afkeeren? Vlaamsche Stilstand is het, Jan’ (Brieven, pp. 169-170).

 

's Anderendaags, 28 februari, laat Elsschot Gijsen weten dat hij op zijn belofte terugkomt: ‘Indien ik een oogenblik zwak ben geweest dan was dat om U persoonlijk uit een pijnlijke positie te redden. De tusschenkomst van Walschap heeft op die zwakte echter gewerkt als aspirine op hoofdpijn’. Zijn besluit is dan ook: ‘het boek aan Greshoff afstaan of het opnemen zooals het is’ (Brieven, pp. 170-171). Voor deze ommekeer is allicht Greshoff verantwoordelijk, want op 1 maart stuurt Elsschot hem een brief met als bijlage een afschrift van de brief van 28 februari aan Marnix Gijsen; in deze brief schrijft Elsschot: ‘Je schreef mij gisteren dat ik er dus wel erg aan hield -- en er veel voor over had -- dat Tsjip in Forum verschijnen zou. Je hebt je deerlijk vergist, want zij nemen het op óók mét Leda, dat zal je zien’ (Brieven, p. 171-172). Slotsom: de verwijzing naar Leda met de zwaan is wel degelijk in Tsjip blijven staan (p. 104).

 

In een andere passage greep Elsschot wel in op aanraden van een redactielid van Forum: een schrapping van slechts één woord, maar dan één dat een hele kerkelijke traditie achter zich heeft. Waarover gaat het?

 

Op 7 maart schrijft Maurice Roelants aan Elsschot dat hij geneigd is Tsjip Elsschots mooiste boek te noemen, en ook zijn vrouw vindt het voortreffelijk. Maar: ‘Goed vertrouwd met godsdienstaangelegenheden staat zij echter verwonderd over het communiceeren 's avonds voor het kerkelijk huwelijk, -- nuchter zijn is een absoluut voorschrift en als die regel werd nageleefd ware het wellicht wenschelijk, dat even aangeduid werd hoe dat probleempje werd opgelost’ (Brieven, pp. 173-174). Op de pagina 63F waarover hierboven sprake staat inderdaad over Adèle: ‘Om half zeven komt zij thuis, na schitterend gebiecht en gecommuniceerd te hebben [...]’. Elsschot belooft zijn ‘onderpastoortje’ over de zaak te raadplegen, en het nodige te doen ‘mocht er een haar in die boter zitten’ (8.3.1934). Aan Greshoff laat hij op 9 maart weten dat de opmerking van Roelants' vrouw juist is: ‘Ik heb eenvoudig het communiceeren weggelaten en nu is alles in orde’ (Brieven, p. 175). Elsschot was dus wel degelijk bereid een woord of een passus te schrappen als die strijdig was met de katholieke gebruiken. En dat was hier duidelijk het geval. Tot aan het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) gold absolute nuchterheid als voorwaarde voor het communiceren, hetgeen betekende dat vanaf middernacht geen voedsel meer mocht worden gebruikt. Het is overigens vreemd dat Walschap en Gijsen dit niet hadden opgemerkt, maar wel problemen maakten over het feit dat Adèle in haar onwetendheid had gevraagd of de Onbevlekte Ontvangenis dan iets is als Leda en de zwaan.

 

Op 18 april laat Menno ter Braak Elsschot weten dat hij Tsjip geen vooruitgang vindt in vergelijking met Kaas. Het is volgens hem ‘een repliek van je vorige werk en geen vernieuwing’. Wel maakt hij een uitzondering ‘voor de geforceerde trouwerij en inwijding in de geheimnissen der H. Moederkerk; dat gedeelte staat boven de rest, heeft veel meer importantie, raakt andere gebieden’ (Brieven, p. 178). Elsschot repliceert dat hij ‘een zeer alledaagsche’ gebeurtenis ‘door intensiteit’ lezenswaard heeft proberen te maken, ‘met andere woorden, van niets iets te maken. Zonder inhoud een boek te schrijven’. Tsjip is als het ware ‘een dagboek loopend over een korte spanne tijds’ (20.4.34; Brieven, p. 179). Aan Greshoff schrijft Elsschot: ‘Menno verwacht diepzinnigheid, filozofie. Maar als ik daar niets voor voel kan ik die niet geven’. Elsschot zegt alleen te kunnen schrijven over dingen waar hij iets voor voelt en over dingen die hij volkomen beheerst. Hij zoekt het naar eigen zeggen in de intensiteit: hij hecht alleen belang ‘aan de kracht, aan de hevigheid waarmede een beeld opgeroepen wordt, niet aan het beeld zelf’ (Brieven, p. 180). Vandaar dat het onderwerp gerust een eenvoudige familiegeschiedenis kan zijn, als die maar met kracht en intensiteit wordt uitgewerkt. En leidend naar een slotakkoord, zoals Elsschot dat in de inleiding op Kaas formuleert. Ook het eind van Tsjip ziet Elsschot als het absolute slotakkoord, getuige zijn woorden in een brief van 8 maart 1934 aan Maurice Roelants: ‘Ik ben blij dat dat slot een speciale vermelding van u heeft verdiend, omdat ik er werkelijk alles ingelegd heb wat ik bezit. Als dàt niet goed is dan moet ik het opgeven, want ik kan het niet beter’ (Brieven, p. 175).

 

Op 5 mei bezorgt hij Greshoff een aanvulling bij het hoofdstuk over het ‘Godsdienstonderricht’ aan zijn dochter, een tekst die hij nog eens wil voorleggen aan de redactie van Forum. Want de mogelijkheid is niet uitgesloten dat het werk alsnog geweigerd wordt door Forum en dan zou het toch nog in Groot-Nederland kunnen, ‘want ik ben uitgekakt en zal misschien niet zoo spoedig weer aan 't schrijven gaan’. Elsschot verwondert er zich over dat Ter Braak ‘vooral het gedeelte op prijs stelt waar ikzelf eigenlijk het minste belang aan hechtte’, met name het hoofdstuk over het kerkelijk huwelijk. ‘De gewilde eenvoud van 't heele boek schijnt hem voorbij te zijn gegaan’ (Brieven, pp. 181-182).

 

Wanneer dan een half jaar later de recensies van Marnix Gijsen en van Menno ter Braak over Tsjip verschijnen, wijst Elsschot er tegenover Greshoff op dat beide recensenten vooral belang gehecht hebben aan het bijgeschreven gedeelte over het kerkelijk huwelijk, ‘dus aan het eenige gedeelte waarin zoo al niet een sociale strekking, dan toch een phylosophische overtuiging tot uiting komt’. Ze zijn dus voorbijgegaan aan het ‘l'art pour l'art’-principe dat aan Tsjip ten grondslag ligt. En Elsschot vraagt zich af of kunst ‘in tijden van wording als deze, in tijden van ellende en verdrukking, met als eenige baak het communisme met zijn wanhopig worstelen om niet in den ouden poel te verzinken’ (het is 1934!) inderdaad geen partij moet kiezen, en ‘l'art pour l'art’ niet tijdelijk moet worden begraven (28.11.34; Brieven, p. 195).

 

Het is overigens merkwaardig dat beide recensenten waarover Elsschot spreekt, de passage van het kerkelijk huwelijk en de perikelen errond elk vanuit een andere invalshoek beschouwen. Menno ter Braak spreekt er zijn spijt over uit dat Elsschots onderwerp ‘huiselijker’ wordt. Doch boven deze ‘huiselijkheid’ steekt als ‘satyre’ ‘de prachtige bekeeringsscène uit 'Tsjip'‘ uit. ‘Hier haalt Elsschot ook in de dimensies verreweg het beste van wat hij te zeggen heeft’. Marnix Gijsen vindt Tsjip Elsschots ‘beste werk’ en kwalificeert het als ‘een voortreffelijk, ontroerend boek’. Maar hij betreurt het dat er ‘een paar bladzijden zijn waarin hij [=Elsschot], nauw vasthechtend aan de werkelijkheid, onwaarschijnlijk wordt en waar hij een jammerlijke fout van slechten smaak begaat in verband met het catholicisme’ .

 

Het mag duidelijk zijn dat de twee toegevoegde hoofdstukken over de terugkeer van Adèle en haar man en over het kerkelijk huwelijk, zowel voor de externe tekstgeschiedenis als voor de explicitering van Elsschots poëticale opvattingen van niet te onderschatten belang geweest zijn. Ze hebben enerzijds de verhouding tussen Elsschot en de Vlaamse Forum-redactie danig vertroebeld; Surmont toont aan dat de polemiek één van de oorzaken van het ontbinden van Forum geweest is in 1935. Anderzijds vonden de toegevoegde hoofdstukken de meeste weerklank in de recensies. Elsschot zag dit overigens met gemengde gevoelens, want voor hem was Tsjip geen uiteenzetting over de katholieke leer of een beschrijving van een kerkelijk huwelijk, maar wèl het verhaal van een gewone familiegeschiedenis: het huwelijk van zijn oudste dochter met de Pool Bennek, en, als slotakkoord, de eerste ontmoeting met het kleinkind Tsjip.

 

In of rond 1934 bezorgt Elsschot aan Greshoff de inleiding op Tsjip, die als opdracht in het werk werd opgenomen. Elsschot schrijft: ‘Ik hoop dat deze korte inleiding Tsjip bevattelijker zal maken voor den middelmatigen lezer’ (Brieven, p. 186).

 

Of deze opdracht Tsjip zoveel bevattelijker zal hebben gemaakt voor de gemiddelde lezer, is zeer de vraag. De ik-figuur (Laarmans-Elsschot) verhaalt erin hoe hij voor de zoveelste maal van de reis thuiskomt en spontaan weer in de huiskring van vrouw en kinderen wordt opgenomen (zo krijgt hij aan tafel de keuze tussen lever en haring). Tot hij, ditmaal naar aanleiding van de komst van de kleinzoon, weer op weg gaat.

 

Aansluitend bij deze opdracht schrijft Elsschot eind 1934 een stuk ‘Achter de schermen’, dat in januari 1935 in het tijdschrift Groot-Nederland verschijnt , gedateerd is op 22 november 1934, en vanaf de tweede uitgave (1938) in het boek wordt opgenomen. Elsschot ontrafelt hierin het wordingsproces van de opdracht, en expliciteert meteen enkele poëticale opvattingen die we reeds in zekere mate in de inleiding op Kaas aantroffen. Hij gunt ons in deze bijdrage een blik ‘achter de schermen’ van het schrijfproces, met name in de beschrijving van het zoeken naar de juiste formulering in de opdracht van Tsjip.

 

Verhelderend is zijn mededeling dat hij zijn ‘poëtische bevliegingen’ zal voorstellen ‘als het bereizen van een vreemd land, waarvan de lokstem mij komt tergen als ik vreedzaam bij onze kachel zit’. Maar is al dat ‘reizen’ wel ernstig ‘voor iemand die vrouw en kinderen ten laste heeft’. Is het wel normaal ‘zich telkens af te zonderen om de leden van zijn gezin en zijn eigen binnenste van uit een hoek te gaan bespieden [...]’, met andere woorden zich af te zonderen van zijn gezin om te gaan schrijven (pp. 61-62)? We horen in deze woorden een echo van de Laarmans uit Kaas, die uit de dagelijkse realiteit weggevlucht is in het kaasavontuur, en zich op een bepaald ogenblik vragen gaat stellen over zijn verhouding tot zijn vrouw en kinderen.

 

Had Elsschot het in de inleiding op Kaas over een toeschouwer, over gongslagen en over het slotakkoord, in ‘Achter de schermen’ is de toneel- of schouwburgmetafoor uitgewerkt: de ‘regisseur’ geeft aanwijzingen, het publiek in de zaal wordt geschokt door de lucht van de haring en de ogen van de lever (p. 66), het geheel speelt zich af ‘op de scène’, ‘op het tooneel’ (p. 69). ‘'t Is hier immers een schouwburg?’ lezen we (p. 68), en dat is een excuus voor het mengen van leugen en waarheid: ‘het trekken lokt mij niet meer’ staat in de opdracht, maar dat klopt niet. Immers: ‘Ik denk echter nu reeds aan mijn kleinzoon die aan 't slot de hoofdrol spelen moet en die mij moet opwekken tot een laatsten tocht. En hoe vaster ik bij den haard geankerd zit, des te treffender zal zijn ingrijpen zijn’ (p. 68). Met andere woorden, wanneer ik nu de toeschouwer steevast kan doen geloven dat ik niet meer ‘op reis ga’, dat ik mij bij de haard zal vastankeren, dan zal de impact van de kleinzoon die achteraan in 't werk ‘als het bouquet van een vuurwerk’ (p. 68) verschijnt, en met wie ik dan toch weer ‘arm in arm’ zal opstappen ‘naar dat land waar die gouden vogel jubelt’ (p. 71), des te groter zijn. Reeds vanaf de eerste bladzijde moet het pad voor dat kind worden geëffend, moet het slotakkoord, ‘de slotscène van mijn bevrijding door dat kind’ (p. 71), worden voorbereid . ‘Ik heb vroeger gezegd dat men van in 't begin het oog moet houden op het slotakkoord, waarvan iets door 't heele verhaal geweven moet worden, als het leitmotief door een symphonie. En ik moet koken volgens eigen recept’ (p. 68). Waarmee de link met de inleiding op Kaas expliciet gelegd is.

 

EPILOOG
Op 29 november 1941 bezorgt Elsschot aan uitgeverij Van Kampen, naar aanleiding van de nakende publicatie van de derde druk van Kaas, een nieuw in Kaas in te lassen hoofdstuk, hoofdstuk XV (Brieven, pp. 432-433). In de nieuwe passage wordt de pas tot voorzitter van de Vakbond van Belgische Kaashandelaren verkozen Laarmans verplicht samen met vier ‘mensen van aanzien in kaas’ bij de directeur-generaal van het Departement van Handel te gaan pleiten voor verlaging van de invoerrechten op kaas. Midden in een discussie van de heren roept Laarmans met luide stem dat hij er genoeg van heeft, en op die manier slaagt de delegatie in haar opzet.

 

Zoals reeds gezegd heeft men in de kaasmensen de redactieleden van Forum willen zien: Greshoff en de redactieleden Ter Braak, Du Perron en Roelants, dan wel de ‘Vlaamse’ redactie: Walschap, Gijsen, Roelants en Herreman. Het is natuurlijk niet uitgesloten dat Elsschot hier inderdaad de redactieleden van Forum viseert. Met name met de Vlaamse redactie had hij naar aanleiding van de publicatie van Tsjip nogal wat problemen gehad. Maar het enige dat vaststaat is dat Elsschot vanaf de derde druk hoofdstuk XV in Kaas heeft ingelast als de uitwerking van een zinsnede die reeds in de eerste druk (maar nog niet in het handschrift) op het eind van hoofdstuk XI te vinden is: Laarmans zegt er dat Van Schoonbeke er met zijn goedvinden zal voor zorgen dat hij --Laarmans -- kandidaat zal zijn ‘bij de aanstaande presidentsverkiezing van den Vakbond der Belgische Kaashandelaars’ (Kaas, p. 92). Het later ingelaste hoofdstuk wordt hier reeds aangekondigd.

 

In het nieuwe hoofdstuk krijgen we de eerste indicaties dat Laarmans genoeg heeft van de kaasaffaire. Daarna wordt het immers ernst: wanneer Hornstra van Amsterdam laat weten dat hij komt afrekenen, moet Laarmans op bedeltocht en zal hij snel besluiten zich van de hele zaak te ontdoen. In die zin is het ingelaste hoofdstuk waarin Laarmans uitroept dat hij er genoeg van heeft, functioneel in het geheel van de kaasgeschiedenis.