|
Yvan de Maesschalck
Het
is bekend dat Willem Elsschot (1882-1960) niet zelden erg strenge
criteria aanlegde wanneer hem werd gevraagd te oordelen over (jonge)
debutanten (1). Zo waren zijn
lovende woorden doorslaggevend bij de toekenning van de Leo J. Krijnprijs
aan beginneling Boon voor diens De voorstad
groeit (1942) en sprak hij ongeveer tien jaar later even
opvallend negatief over Claus debuut De
Metsiers (1950), waarvan hij de lectuur in een aan uitgeverij
Manteau gerichte brief een bewijs van "zelfopoffering" noemde
(2). Bekend is ook dat Elsschot,
die zichzelf een onverbiddelijke discipline oplegde, van andere schrijvers
een even hoogstaande literaire ascese verwachtte, vooral als het erom
ging kopij te beoordelen als lid van een of andere jury. Het verbaast
dan ook niet dat hij, wanneer hij zijn kritische blik liet waren over
oude (Vlaamse) teksten, alleen met het beste deel ervan genoegen nam.
Kieskeurig lezer als hij was, savoureerde hij zorgvuldig
(3). Alweer verbaast het nauwelijks dat precies het kroonjuweel
van de Middelnederlandse epiek steeds weer zijn onverdeelde aandacht
kon opeisen. Elsschot was immers een hartstochtelijk bewonderaar van
Van den vos Reynaerde, "waarvan
hij fragmenten van buiten kende en soms reciteerde" (4).
Dat de Reynaert hem na aan het
hart lag, blijkt ook uit de keuze van zijn nom
de plume: Willem is volgens Ida De Ridder een rechtstreekse
verwijzing naar Willem die madoc maecte (5).
Meteen is een eerste raakpunt tussen beide literaire fenomenen aangestipt:
Elsschot als bevlogen Reynaertlezer. Dat lijkt weinig opzienbarend,
maar wie de Brieven-editie van
Vic van de Reijt ter hand neemt, merkt dat Elsschot in méér
geïnteresseerd is dan in het verhaal zelf of de fratsen van een
legendarische vos. Hij wil kennis nemen van wat hij, enigszins voortvarend,
meer dan eens de oorspronkelijke tekst noemt. Vandaar
zijn oprechte waardering voor het filologische slijpwerk van J.W.
Muller, die in 1939 een aangevulde versie van zijn kritische
Reynaertuitgave liet verschijnen. Elsschot voelt zich overigens zozeer
met de tekst van het epos vertrouwd dat hij het waagt professor Muller
ongevraagd van advies te dienen. In zijn brief van 7 december 1939
(6) levert hij onder meer
commentaar bij Mullers poging om eere ontmakighe van lanternen
(sic) in v. 800 te verklaren als een oplapster/herstelster van lanternen
(7). Elsschot ziet in het
bizarre lanternen een verschrijving voor latrines (= schijthuizen)
omdat lanternen in de moderne betekenis hem al te anachronistisch
in de oren klinkt. Ook in verband met putepeel en vuulmaerte
suggereert Elsschot een alternatieve Vlaamse scabreuze
verklaring, iets waar hij blijkens andere bronnen bepaald talent voor
heeft (8). Muller heeft op
die brief niet geantwoord.
Dat Elsschot desondanks hardnekkig vasthoudt aan zijn (minimale) tekstkritiek
én aan de Mullereditie blijkt jaren later uit een aan Jan Villerius
gerichte dankbrief van 7 oktober 1958, naar aanleiding van twee hem
toegestuurde Reynaertedities, m.n. die van Tinbergen-Van Dis en die
van J.F.Willems-Hellinga. Hij komt daarin terug op de betekenis van
outmakkighe (dat hij nu correct overneemt) en merkt in
de aanhef op dat hij niet begrijpt wat Tinbergen aan de Mullertekst
zou kunnen veranderen. Elsschot schrijft: "De tekst door Dr.
Tinbergen zal wel dezelfde zijn want ik zie niet goed in wat hij er
zou kunnen en durven aan wijzigen" (9).
Met andere woorden, Elsschot beschouwt de Mullereditie als de definitieve,
en voor zijn part, oorspronkelijke versie van de Reynaert.
Elsschots exemplaar heeft overigens goede diensten bewezen aan de
verspreiding en literaire naleving van het Reynaertverhaal. Niemand
minder dan L.P.Boon heeft Elsschots boek verscheidene jaren in bruikleen
gehad. Uit de in 1989 gepubliceerde, ook in de Brieven
opgenomen briefwisseling tussen beide schrijvers, valt af te leiden
dat Boon de Mullereditie kort na 12 december 1946 in zijn bezit moet
hebben gekregen. Hij schrijft immers: "Wat het boek van Pr. Muller
betreft, gij kunt mij geen groter plezier doen dan met het mij een
paar maanden in bruikleen te geven. Ik verwacht het,
zo spoedig mogelijk" (10).
Betekenisvol is ook de volgende zin waarin Boon hoopt op Elsschots
expertise te kunnen rekenen in verband met de Reynaert.
Er staat letterlijk: "... Reinaert waarvan ik weet op u te mogen
rekenen als er in de tekst een of ander is dat mij ontsnappen zou
...". Boon beseft dus dat Elsschot een Reynaertlezer is van ongewone
snit. Dat Elsschot zijn boek lang heeft moeten missen, blijkt uit
Boons brief van december 1952. Hij vraagt Elsschot, die om zijn boek
heeft gevraagd, "nog acht dagen medelijden" met hem te hebben.
Het is niet onwaarschijnlijk dat Boon, die terwille van Wapenbroeders
en De Kapellekensbaan een Reynaertlezer
sui generis was geworden, Muller
in extremis heeft gebruikt om "zijn reeds bestaande De
Kapellekensbaan-tekst achteraf" te "amenderen"
(11).
Het lijkt redelijk te veronderstellen dat Elsschot meer en intensiever
Reynaert zou hebben herlezen als
Boon hem niet jaren lang (zeker tot eind 1952) op zijn schrijftafel
had laten liggen.
Waarom Elsschot ongeveer zes jaar geduld heeft gehad vooraleer zijn
Muller terug te vragen, is uiteraard onbeantwoordbaar. Maar dat de
teruggave in 1952 valt, heeft misschien wel een externe oorzaak. Op
zondag 11 mei 1952 heeft namelijk in Antwerpen een luisterrijke Elsschotviering
plaats naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag. Bij die gelegenheid
brengen verscheidene sprekers hulde aan de schrijver en zijn oeuvre.
Onder hen Albert Westerlinck, criticus en persoonlijke vriend van
de schrijver, Frans Smits, zijn achterneef en officiële
biograaf, Raymond Herreman, voormalig redacteur van t
Fonteintje en Forum,
en Martinus Nijhoff, alomgeprezen dichter en onvervalst Elsschottiaan.
Vooral laatstgenoemde spreekt een opmerkelijke laudatio uit, waarin
hij Elsschots "wereldbeeld" nabij tracht te komen door het
met Reynaerts inborst te vergelijken. Nijhoff stelt onomwonden dat
"in het wezen en het werk van Willem Elsschot ... een hedendaagse
echo van de ongeëvenaarde en onsterfelijke Reinaard" hoorbaar
is (12).
Nijhoff staat met die opvatting niet alleen. In een brief van L.P.
Boon (12 mei 1952) en een uitvoerig stuk van Jan Greshoff (6 december
1952) wordt Elsschots schrijverschap nogmaals gerelateerd aan de eigen
aard van de befaamde vos. In zijn brief waarschuwt Boon hem voor pluimstrijkerij,
eraan toevoegend: "Gij kent de mensen. Niemand beter dan gij,
vos Reinaerde, die de mensen kent" (13).
Bovendien worden in het najaar van 1952 de eerder uitgesproken feestreden
gepubliceerd bij Van Kampen, Elsschots uitgever. Al deze steeds weer
gemaakte referenties aan het geesteskind van Willem die
Madoc maecte wettigen de hypothese dat Elsschot ging terugverlangen
naar wat Reynaertlectuur en dus naar zijn Mullereditie. Wellicht niet
om zich te herbronnen, want de schrijver hield de schrijverij voor
bekeken. Maar misschien wel om de juistheid van een en ander voor
zichzelf na te gaan.
Ook in het in de jaren zestig gepubliceerde overzichtsartikel herinnert
Albert Westerlinck aan Nijhoffs lofrede en aan zijn eigen toentertijd
gemaakte parallel tussen Cervantes Don
Quichote en Elsschots Laarmans-Boormancombinatie. Westerlinck
tracht bovendien de zo vaak vermelde Reynaertcomponent in Elsschots
oeuvre nader te omschrijven. In zijn typering vallen termen als "cynische
kijk", "illusieloze kijk op de mens", "amoralisme","onverzettelijke
zelfstandigheids- en vrijheidszin", "kentrekken die aan
onze beroemde vos herinneren". Voortredenerend komt Westerlinck
onvermijdelijk bij Boorman terecht. Hij omschrijft hem als "de
intelligente Reynaert die zich tot de tanden wapent om de wereld te
attaqueren, cynisch in de agressie en sluw wanneer hij zich veilig
stelt" (14). Terwijl
Nijhoff het thema van de spoorloze, in list en camouflage doorknede
vos bespeelt, vindt Westerlinck in Elsschots werk een hang terug naar
deregulering, openlijk verzet, vrijbuiterij. Motieven overigens die
hij, door ze in één adem te noemen, niet negatief lijkt
te connoteren én die daarenboven aardig rijmen met de tijdgeest
van de jaren zestig. Westerlinck ziet m.a.w. in Elsschot de Reynaert
die het culturele en sociale klimaat van het decennium hem onbewust
ingeeft te zien. Hiermee bevestigt Westerlinck het door Rik van Daele
uitgewerkte concept dat elke periode haar eigen Reynaertbeeld construeert
(15).
Het Westerlinckartikel is erg revelerend, niet alleen ten aanzien
van een welbepaald vossenbeeld, waarvan de auteur veronderstelt dat
het overeenstemt met dat van de gemiddelde lezer, maar ook ten aanzien
van Elsschots schrijverschap. Westerlinck hanteert immers een aantal
begrippen als amoralisme, cynisme en ironie die hij zomaar toepasbaar
acht op zowel Elsschot als de Reynaert.
Hij gaat daarbij even morsig te werk als Jan Greshoff, die in zijn
definitieve Elsschotstudie evenmin onderscheid maakt tussen cynisme
en wat hij onder meer "ironische scherpzinnigheid" noemt (16).
Het laat zich aanzien dat het epitheton cynisch al te
gretig en al te gratuit wordt aangekleefd. Alleen al de vaststelling
dat een aantal recensenten en commentatoren het begrip cynisme probleemloos
toepast op Elsschots werk en een even groot aantal datzelfde begrip
afwijst, maakt een begripsafbakening noodzakelijk.
Auteurs die Elsschots werk niet cynisch achten, zijn er overigens
voldoende. Naar aanleiding van de verschijning van Kaas
(1933) plaatst Menno ter Braak een stuk in
Het Vaderland (3 december 1933) waarin hij nader ingaat
op "de persoonlijkheid van Willem Elsschot". Hij wijst het
verband met cynisme af, maar beklemtoont zijn "gemakkelijk te
ontroeren ziel", zijn observatievermogen en vooral zijn "rijkdom
van humor" (17). Frans
Buyens van zijn kant doet er in zijn vaak herdrukte monografie over
Elsschot alles aan om "het misverstand aangaande het zogenaamde
cynisme van Elsschot" (18)
op te helderen. En in zijn uitvoerige beschouwing Reinaert
redivivus, naar aanleiding van de tweede druk van Frans
Smits biografie en de publicatie van voormelde feestreden, stelt
Garmt Stuiveling onomwonden dat Elsschot "geen virtuoos van het
sarcasme... is geworden maar wél: een grootmeester van de ironie".
Opmerkelijk is dat hij, mét Nijhoff, in Elsschot een moderne
versie van de oude Reynaert begroet. Dat blijkt niet alleen uit de
titel, ook de slotzin laat niets aan duidelijkheid te wensen over:
"Nijhoff heeft Willem Elsschot, de ongrijpbare, resoluut geplaatst
op de enige plek waar hij wézenlijk thuis hoort: naast die
andere Vlaamse Willem, de allergrootste, die de Reinaert
schiep" (19).
Het mag intussen duidelijk zijn dat in hedendaagse commentaren de
teneur van Elsschots werk onder de noemer ironie wordt
geplaatst en niet onder die van het cynisme. In zijn aanzet tot biografie
wijst Jean Surmont op het feit dat die ironie een bepaalde ideologie
vorm geeft, maar tegelijk een stilistisch procédé is
(20). Hij doet daarbij een beroep
op de omschrijving van ironie zoals die door Dina Hellemans is uitgewerkt
in haar studie De poëzie van Richard
Minne in het licht van de ironie (1975). Zonder het begrip
sluitend te omschrijven maakt Hellemans duidelijk dat ironie alles
heeft te maken met contrasterende, indirecte, speelse en vaak allegorische
of metaforische verwoordingen die afstand (Distanz)
scheppen ten opzichte van de beschreven werkelijkheid (21).
Wat hier voor Minne geldt, lijkt meteen ook van toepassing op Elsschot.
Niet toevallig stelt Yves TSjoen in zijn opstel over parallellen
tussen beiden het volgende: "Geen humor noch cynisme, maar ironie
- zo ondervertegenwoordigd in de Nederlandse literatuur - werd het
handelsmerk van twee auteurs die geen toegevingen aan publiek noch
critici wilden doen" (22).
Tot de aanstekelijkste voorbeelden van Elsschottiaanse ironie behoren
madame Brulots liefde voor haar troetelaapje Chico, inclusief haar
bijna onderwerelds misbaar bij de dood van het diertje en, in scherp
contrast daarmee, haar hooghartige minachting voor meneer Brulot in
Villa des Roses. De rechtsgang
in Het been is een hilarisch voorbeeld
van een juridische mundus inversus
waarbij eiser en verweerder elkaars rol hebben overgenomen. Misschien
is zelfs het hulpvaardig optreden van vader Laarmans in de Antwerpse
havenbuurt van Het dwaallicht
weinig meer dan het gedroomde ironische alibi om eindelijk op erotisch
avontuur uit te trekken, zij het dan geflankeerd door drie op zijn
fatsoen toezicht houdende wijzen uit het Oosten (23).
Het zou hoe dan ook een uitvoerige studie vergen om de ironische strategieën
op narratief, stilistisch en ideëel niveau bij Elsschot in kaart
te brengen.
Al bij al blijft de vraag voorliggen of wat Minne en Elsschot lijkt
te binden met evenveel recht kan worden geprojecteerd op Elsschots
werk en de Reynaert. In de verhalen
van beide Vlamingen worden allerlei ondeugden en morele onwaarden
uitgebeeld en ontmaskerd. In de Reynaert
wordt het vossenpersonage als onbarmhartig instrument gehanteerd om
de verregaande plompheid en het ongebreidelde egoïsme van volk
en establishment te gispen. De suggestie is onmiskenbaar dat de gehavende
pastoor, de bedrogen Isegrim, de toegetakelde Bruun evenmin als het
potsierlijke, hebberige vorstenpaar of de in de strot gebeten Cuwaert
op enige verzachtende omstandigheden staat kunnen maken. Zij hebben
hun ondergang of teloorgang uiteindelijk aan zichzelf verdiend. Iets
gelijkaardigs gaat ook op voor de halfzachte, halfgeslaagde burgermannetjes
bij Elsschot. Ook zij laten zich bij voorkeur leiden door weinig verheven,
kleinmenselijke motieven. Daarom laat weduwe Lauwereijssen zich eindeloos
lang lijmen, moet pastoor Kips zijn pastorale naïveteit met de
dood bekopen in De verlossing,
wordt De Keizer in Een ontgoocheling
het slachtoffer van zijn eigen niet ingeloste verwachtingen, die alleen
maar met een opzichtige begrafenis schijnbaar worden toegedekt.
Het verschijnsel mens als de onvermijdelijk gedupeerde primeert in
het werk van de oude en de nieuwe Willem. Laatstgenoemde laat de aangeboren
zwakheid van menig personage bij uitstek blijken in de romans waarin
Boorman op het appèl verschijnt. Boormans optreden onderstreept
dat de mens niet alleen te bedriegen valt, maar ook graag bedrogen
wordt (mundus vult decipi), omdat
hij nu eenmaal gevoelig is voor eigendunk, protserigheid en praal.
Als Boorman in het gasthuis verblijft te midden van zachtzinnige geestesgestoorden,
houdt hij voor Laarmans een rede die voor zijn geestelijk testament
kan doorgaan: "Krijgt men niet voortdurend veel eigenaardiger
dingen te zien? Heren van gezag behangen met decoraties, prelaten
knikkend onder mijters en brocaat, somber achter de eerste de beste
lijkkoets aanstappend als braken zij van smart en zich plechtiger
bewegend dan bij t zinken van hun eigen moeder, vooral wanneer
die in haar jeugd een café gehouden heeft" (24).
Veelbetekenend in dit verband is de houding van Laarmans, aangezien
hij de theatraliteit van burgerlijke drukdoenerij wel degelijk aanvoelt.
Waar hij ook zijn opwachting maakt, telkens weer wekt hij de indruk
tegen beter weten in op te komen
voor de rechten van zijn familie of die van hemzelf. Zelfs in Tsjip,
waarin hij het lot van zijn dochter en kleinkind bevecht tegen Bennek,
de Poolse echtgenoot van Adèle, is een zeker gevoel van defaitisme
en weerloze overgave aan wat komen moet hem niet vreemd.
Hoewel het in hun beider werk onmiskenbaar gaat om ontmaskering van
maatschappelijke waardensystemen, verschilt de (auteurs)visie die
via verteller en personages tot stand komt in meer dan één
opzicht. In de Reynaert leidt
het optreden van het hoofdpersonage tot een genadeloze ontluistering
van de hoofse idealen die aan Nobels hof slechts in schijn worden
beoefend. Door Reynaerts optreden aldaar worden de vigerende waarden
ontkracht en wordt de bestaande orde ontregeld (25).
Als het ware parallel daarmee wordt in Elsschots oeuvre de kleinburgerlijke
code in al haar naaktheid geëtaleerd, maar van diep misprijzen
geven de meeste (mannelijke) personages doorgaans geen blijk, wél
van meewarigheid en schuldgevoel. Nog duidelijker blijkt het verschil
in klimaat wanneer men de meest frappante ontmaskeraars
tegenover elkaar plaatst.
Het profiel van Reynaert de vos is ongetwijfeld genoegzaam bekend.
Voor de Middelnederlandse toehoorder is hij de incarnatie van het
demonische, beweegt hij zich letterlijk en figuurlijk normloos aan
de overzijde van goed en kwaad (jenseits
des Guten und Bösen). Reynaert is, als een ware Mephisto,
immoreel en amoreel tegelijk; list en bedrog zijn voor hem dan ook
een doel op zich; de leugen dient alleen het genot dat door het liegen
zelf tot stand komt. Dat komt tot uiting in elk segment van het verhaal,
maar misschien het striemendst in Reynaerts lekenbiecht, die volkomen
voorbijgaat aan berouw en inkeer, maar door de woordelijke herinnering
aan zijn wandaden die wandaden zelf schaamteloos weer tot leven roept.
Vandaar dat Reynaert, die zich heeft vergrepen aan Hersinde (Ywenden),
vol leedvermaak kan biechten: "Haer dedic (God moet mi vergheven)
/ Dat mi liever ware bleven / Te doene dan het es ghedaen"
(26).
Reynaert is met andere woorden een geslaagde vertegenwoordiger van
het (Nietzscheaanse) cynisme, dat een nihilistische leer huldigt.
Hij beantwoordt nagenoeg volkomen aan de omschrijving van Koen Raes:
"De cynicus is een elitair intellectueel die zich via zijn cynisme
distantieert van de massa, waarvan hij toch niets anders dan een gebrek
aan goede smaak en gevoeligheid verwacht" (27).
Hetzelfde kan niet worden gezegd van Boorman, hoezeer die ook misbruik
maakt van de willoosheid en ijdelheid van de burger. Boorman toont
aan hoe ingeslapen en onnadenkend burger en maatschappij, individu
en collectiviteit zich gedragen. Het scherpst is zijn optreden in
het dubbelboek Lijmen/Het been,
maar precies dat boek openbaart ook de morele begrenzing van Boorman,
die door zijn eigenste lijmpraktijk ontdekt dat hij wezenlijk niet
gewetenloos is. Als Boorman na de dood van zijn vrouw verneemt hoe
het door hem genaaide liftenbedrijfje te gronde is gegaan en voormalig
zaakvoerster weduwe Lauwereyssen haar wegkankerend been verloren heeft,
wil de havik restitutie doen. Maar zijn slachtoffer weigert tegemoetkoming
en houdt op die manier zijn wroeging gaande. Als zakenman genadeloos
buigt hij uiteindelijk voor menselijk leed waar hij zich mede schuldig
aan voelt. Hoezeer hij zich daarbij laat leiden door irrationele overwegingen
blijkt wanneer hij Laarmans vraagt: "Zou er enig verband kunnen
bestaan tussen onze honderdduizend exemplaren en het verlies van dat
lid?" (Het been, p. 370).
Dat Boorman niet uit hetzelfde cynische hout gesneden is als Reynaert
blijkt ook uit Het tankschip.
Hoewel de fictieve verkoop van de Guadaloupe
tot doel heeft de fiscus op te lichten en Boorman de architect is
van een hele constructie, wordt medeplichtige Jacky Peeters er zelf
niet bepaald slechter van.
De Boormancreatie vertoont heel wat trekjes van wat Peter Sloterdijk
met een nieuwvorming kynisme (afgeleid
van het Grieks kunos = hond) heeft
genoemd. In zijn magistrale studie Kritiek
van de cynische rede (1984) beschrijft hij kynisme als
een plebejische, volkse en subversieve reactie op de burgermoraal.
In filosofische zin is Diogenes de eerste kynicus die de vrijpostigheid
heeft beoefend als levensdeugd, een instelling die, volgens Sloterdijk,
"de kracht en de kern van het kynisme" uitmaakt28.
De kynicus - zoals Boorman er één is - "maakt zich
vrolijk om de hypocrisie, de eigenwaan en de zelfgenoegzaamheid die
hij rondom zich aantreft, maar doet dat nooit vanuit de hoogte, sympathiseert
integendeel met het gewone volk". Aldus Koen Raes in het al genoemde
opstel. Voor Boorman zijn er inderdaad grenzen, zelfs van morele aard,
al kan hij niet aan de verleiding weerstaan het kapitalistische bestel
lang en hard in zijn voegen te laten kraken. "Het wapen van de
kynicus is de ironie en de satire, als een verdedigingsmechanisme
van de zwakkere die in de eerste plaats de zelftevredenheid
van de midden- en heersende klassen te kijk stelt". Nogmaals
Koen Raes. Het hoeft nauwelijks herhaald hoezeer kynisme en ironie
op elkaar rijmen en het hart uitmaken van Elsschots mensbeeld.
Willem-van-de-Reynaert en Willem
Elsschot kijken blijkbaar op een andere, erg verschillende manier
naar de wereld. Het is dan ook de vraag of er voldoende gronden overblijven
om de teksten van de beide schrijvers op elkaar te betrekken. Het
antwoord is, geloof ik, bevestigend. Zo zou men in het befaamde duo
Laarmans en Boorman een herschreven versie kunnen zien van het spitsbroederlijke
en tegelijk aartsvijandelijke tweetal Isegrim en Reynaert. Ze lijken
me even onlosmakelijk met elkaar verbonden als de dierenpersonages,
gelden in menig opzicht als elkaars tegenbeeld, komen zo nadrukkelijk
in beeld dat ze ook buiten het boek lijken te leven. Natuurlijk lust
de aanvankelijk als een studentikoze idealist geportretteerde Laarmans
(met stok, baard en verwarde haren) naderhand Boormans vel niet, -
daarvoor is het streven naar identificatie iets te groot. Natuurlijk
krijgt Reynaert het vel van Isegrim wél te pakken, bijvoorbeeld
in de vorm van Hersindes wolvenklauwen. Maar een en ander neemt niet
weg dat deze personages zonder elkaar niet eens zouden bestaan binnen
de grenzen van de fictie. Reynaert lijkt zo onoverwinnelijk omdat
hij zijn kompaan en aartsrivaal telkens weer te snel af is, zoals
Boorman steeds weer functioneert als het slechte geweten
van Laarmans, alsof hij met een onzichtbare maar hechte draad met
hem is verbonden. De verhouding tussen wolf en vos, meester en knecht
wordt beheerst door andersgetinte maar vergelijkbare vormen van complementariteit,
dualiteit en (averechtse) spiegeling.
Of Elsschot bovenstaand span bewust ontleend heeft aan de Reynaert,
valt zoveel jaar later niet meer na te trekken. Althans, ten overstaan
van Frans Smits of Ida De Ridder of in de gepubliceerde brieven heeft
hij daarvan nooit gewag gemaakt. Toch heeft hij, naar mijn aanvoelen,
de naam van één nogal schimmig personage rechtstreeks
geleend bij zijn voornaamgenoot. Als Boorman en Laarmans voor het
eerst weer aankloppen bij weduwe Lauwereyssen, dreigt zij hen af door
een telefoontje te plegen naar een zekere Courtois (in
Het been, p. 383). Die Courtois wordt alleen een figuratieve
rol gegund, net aan de rand van het verhaal en dat komt aardig overeen
met het bescheiden optreden van hondje Courtois in het dierenverhaal.
Alleen is Elsschots Courtois een gevreesd agent, en bepaald minder
beminnelijk dan de gelijknamige viervoeter. Wie weet krijgt Courtois
hier voor de gelegenheid ongewild de bij zijn naam zo passende cerberus-
of waakhondfunctie toegeschreven. Waarschijnlijk gebruikt Elsschot
de Reynaertnaam ook vanwege het ironische contrast met de oorspronkelijke
betekenis ervan.
Het kordate optreden van voornoemde mevrouw vormt meteen een brug
naar een volgend raakpunt tussen beide oeuvres. Zo is het opvallend
dat noch in de Reynaert, noch
in Elsschots boeken de vrouw veel te vertellen heeft. Ze wordt nooit
in de rol van verteller gecast. In Elsschots werk treedt niet zelden
Laarmans als ik-verteller op, of ontmoet een overigens anonieme ik-verteller
diezelfde Laarmans, die een boek lang durende bekentenis aflegt. Dat
geldt voor Lijmen, Het
been en Het tankschip
bijvoorbeeld. De vrouw figureert er als kantoorbediende of als huissloof,
die Laarmans bescheiden drijverijen een tijd aanziet, maar onverwacht
dwars kan gaan zitten. Meer dan eens weet zij het verloop der dingen
definitief naar haar intenties te plooien door koppig zwijgzaam verzet,
of een herhaalde chantage die echtgenoot lief voorgoed weerloos maakt.
Prachtige voorbeelden van de hardnekkigheid waarmee de vrouw het mannelijk
hoofdpersonage klem rijdt zijn de moederfiguur in Tsjip
en mevrouw De Keizer in Een ontgoocheling.
Laatstgenoemde houdt haar zwakke echtgenoot onder de duim door hem
op tijd en stond te herinneren aan zijn enig maar onfortuinlijk bordeelbezoek.
Een aparte vermelding verdient uiteraard weduwe Lauwereyssen, omdat
zij in de loop van de twee boeken uitgroeit tot een volwaardige partij
voor Boorman: ze houdt hem jaren gedecideerd op afstand
door hem door zijn eigen geweten te laten folteren. Tot ze, op voorspraak
van Laarmans priesterlijke neef, goedschiks inbindt.
In de Reynaert blijven de vrouwen
ook op het secundaire plan, maar ze zijn niettemin prominent aanwezig
in elk sleutelsegment van het verhaal (29).
Het meest opvallend in dit verband lijken me Julocke en de eega van
Nobel. Julockes zwempartij en de liefde van de pastoor voor haar zijn
uiteindelijk verantwoordelijk voor Bruuns geslaagde ontsnapping. In
het procesgedeelte, wanneer Reynaert zijn verhaal opdiept over de
vermeende schat van Ermeric, is het de koningin die haar gemaal buiten
de rechtskring in een soort terzijde
kapittelt. Ze maant hem geloof te hechten aan de leugen van Reynaert
en zorgt er dus voor dat de sluwe vos oog- en kontdraaiend aan zijn
vervolgers kan ontkomen.
Toch valt niet te geloven dat Elsschot zich op de Reynaert
zou hebben geïnspireerd om zijn moederfiguur gestalte te geven.
Wat hem in de Reynaert ongetwijfeld
het meest heeft aangetrokken is de taalvirtuositeit van zijn verre
voorganger. Die taalbeheersing komt in elk vers bovendrijven, maar
gooit vooral hoge ogen in die gedeelten die een bij uitstek oraal
karakter hebben, en dat zijn er heel wat. De sterkste voorbeelden
zijn de verbale pijnigingen van Reynaert aan het adres van Bruun en
Tibeert, na afloop van hun respectieve dagingen. Ook de Grimbeertscène
is een hoofdzakelijk door Reynaert volgesproken onderdeel, waarin
misdadige intenties en retorische taalkunst samen gaan. Opmerkelijk
is dat Reynaert graag kerkelijke of klerikale beeldspraak opspit om
zijn slachtoffers schaamteloos te schofferen. Een staaltje is wat
Bruun na zijn pandoering te horen krijgt:
"Sire
priester, Dieu vos saut.
Kendi
Reinaert, den ribaut?
Den rooden
scalc, dat felle dier.
Wildine
scauwen, so sietene hier.
Nu seghet,
priester, soete vrient,
Bi den
heere dien ghi dient,
In wat
ordinen wildi u doen,
Dat ghi
draghet rooden capproen?
Weder
sidi abt so priore?
Hi ghinc
u harde na den oore
Die u
dese crune hevet bescoren.
Ghi hebt
uwen top verloren.
Ende uwe
ruwe hantscoen af ghedaen.
Ic wane
ghi wilt singhen gaen
Van uwen
completen dat ghetide.
(Muller,
p. 144-145, vs. 935-949)
Reynaert
levert in bovenstaande verzen niet alleen een knap zelfportret, maar
bouwt ook consequent aan het beeld van een pas van tonsuur voorziene
monnik, uitsluitend met de bedoeling Bruuns open wonde in edik te
drenken. Dat hij zelfs in het aanschijn van de dood zijn tegenwoordigheid
van geest niet verliest, bewijst hij met de strop om de hals tijdens
zijn publieke biecht. Ook daar weet de vos zijn adellijke publiek
te ontweghen door zijn scone taele, door een
verhaal te fabuleren dat barst van overdrijvingen, preciseringen,
anticiperingen, suggestiviteit en retardering (30).
Als een echte hondse filosoof weigert hij "zich te
conformeren aan de mythe van de authentieke communicatie. (...) Omdat
de taal machteloos is, neemt hij zijn toevlucht tot de woordspeling,
die de mogelijkheden vertienvoudigt en het potentieel vergroot"
(31). Al deze trucs worden hem
uiteraard ter beschikking gesteld door de auteur, Willem zelf, die
daardoor bewijst erg bewust met taal om te gaan. Alsof de huidige
lezer daar nog aan zou kunnen twijfelen. Waarschuwt de
auteur immers zelf niet in de proloog dat hij niet voor "den
dorpren ende den doren" schrijft, maar voor "die ghene...
die gherne pleghen der eeren", voor lieden doorkneed in hoofse
zeden? Van zo iemand mag dan ook taalkunst worden verwacht die beklijft.
Een vergelijkbaar taalbewustzijn is beslist ook in elk verhaal (en
elk gedicht) van Elsschot aan te treffen. In tegenstelling tot zijn
middeleeuwse naamgenoot, heeft hij wel een paar beschouwingen gepleegd
die voor zijn expliciete poëtica kunnen doorgaan, met name de
beroemde inleiding bij Kaas en
het al even beroemde Achter de schermen,
waarin hij de eerste bladzijde van Tsjip
zin na zin commentarieert, zodat de lezer er de weifelende genese
van meemaakt. Dat Elsschot een lans breekt voor een register waarin
elk woord berekend is op het hoogst mogelijk effect, is intussen bijna
een eigen leven gaan leiden. Aan Laurens Elzinga schrijft hij: "Het
eeuwig zoeken naar HET juiste woord, dat dikwijls zo moeilijk te vinden
is. Het zit soms naast je maar je merkt het niet omdat het zich stil
houdt" (32). Dat de auteur
zelf zich een leven lang aan zijn eigen strenge recept heeft gehouden,
is natuurlijk geen klein bier en draagt tot de dag van vandaag de
bewondering van elke Elsschotlezer weg (33).
Overigens komen in zijn romans voldoende voorbeelden voor waarbij
de schrijvende verteller zijn brief of tekst in wording van voorbeeldig
stilistisch commentaar voorziet. Het volstaat te verwijzen naar de
ingebouwde stijlanalyses in Tsjip,
De leeuwentemmer,
Lijmen, Het been en
Kaas. Alleen al de manier waarop
Elsschot Laarmans een naam voor zijn kaashandel (Gafpa)
laat vinden, is onovertroffen.
Hoezeer hij in de praktijk aan zijn oorspronkelijke proza frunnikte
valt o.m. na te lezen in Woord voor woord
(1983), de klassiek geworden variantenstudie van Annemarie Kets-Vree,
die alle beschikbare manuscripten (typoscripten) en de verschillende
drukken van Een ontgoocheling
aan een vergelijkend onderzoek heeft onderworpen. Bovendien is het
intussen een idée reçue
dat Elsschot zijn teksten op een of andere manier liet uitvlooien
op al te Vlaamse wendingen, eerst door Anna Christina van der Tak,
zoals Jeroen Brouwers in een zwierig geschreven bijdrage heeft aangedragen
(34)
en vanaf Kaas vooral door Jan
Greshoff, althans tot die in 1940 naar Zuid-Afrika verscheepte. Diezelfde
Greshoff getuigt trouwens dat Elsschot zijn teksten voorlas aan een
uitgelezen kring vertrouwelingen, waarbij "nog lang wordt nagepraat
over een enkel woord of een zinswending (...) omdat geen moeite Elsschot
te veel is als het om de strikte, zuivere uitdrukking te doen is"
(35).
Hiermee zou wellicht het belangrijkste gezegd zijn, ware het niet
dat zowel Elsschot als de Reynaert van
een gelijksoortig psychologisch raffinement blijk geven dat niet onopgemerkt
kan blijven. Zo lijkt me de manier waarop Reynaert zijn toekomstige
slachtoffers (Bruun, Tibeert, Nobel) weet te lijmen, het bijna perfecte
spiegelbeeld van de manier waarop Boorman zijn slachtoffers (Korthals,
Lauwereyssen) aan zich weet te verplichten. Om de bespreking niet
nodeloos te bezwaren, stel ik voor de verleidingsstrategie van Reynaert
ten aanzien van Bruun kort te plaatsen naast die van Boorman ten aanzien
van Korthals in Lijmen. Het is
opvallend hoe de beide personages die de verleiding of daarbij horende
vernedering manipuleren, een behendig spel spelen waarin het register
(36) voortdurend verschuift op
basis van de al verkregen voorsprong. Uiteraard speelt
het verschil in sociaal statuut bij die registerverschuivingen niet
onaardig mee. Om het de lezer iets makkelijker te maken zijn de betreffende
Reynaertverzen (editie Muller,
p. 132-136, vs. 520-611) en Lijmenpassage
(Verzameld Werk, 1960, p. 276-279)
hierna als bijlage afgedrukt.
In de gebalde en plastische aanmaning aan Reynaerts adres slaat Bruun
meteen een dreigende toon aan. Het perspectief van galg en rad kan
Reynaert bezwaarlijk bekoren. Bovendien spreekt hij in het eerste
vers tot Reynaert als tot een lagergeplaatste, wellicht om van bij
de aanvang Reynaerts weerstand te breken. Bruun brult: "Sidi
in huus, Reinaert? / Ic bem Bruun, des conincx bode" (vs. 522-523).
De vertrouwelijke tweede persoon enkelvoud en de bitse aanspreking
Reinaert plaatsen de vos meteen waar hij thuishoort: in
de lage wereld van de onhoofsen. Maar dat is natuurlijk
zonder Reynaert zelf gerekend. Na lang nadenken (v. 545) reageert
hij met een dankbetuiging aan Bruuns adres, waarbij hij hem met zijn
adellijke functie aanspreekt: "Heere Bruun, wel soete vrient".
Aldus begint Reynaert zijn antwoord. Zonder overgang wijst hij op
de onfortuinlijke situatie waarin Bruun zich bevindt. Bruun noemt
hij het slachtoffer van slechte raadslieden, en bovendien: "ic
soude te hove sijn ghegaen / al haddet ghi mi niet gheraden"
(vs. 553-553). Tegenover zoveel welwillendheid moet Bruun zich beslist
weerloos voelen. En daar rekent Reynaert ook op.
De volgende stap van zijn strategie geeft dan ook blijk van grote
omzichtigheid. Reynaert wijst op zijn ongemak als gevolg van "eere
vremder, nieuwer spisen" (v. 556). Als Bruun hem op de man af
vraagt over welke spijs het gaat, hanteert Reynaert behoedzaam hetzelfde
formele register van bij de aanvang. Erg onderdanig klinkt: "Heere
Brune? Ic at cranke have. / Arem man, dannes gheen grave" (vs.
561-562). De vos schurkt zich schijnbaar in zijn status van onderhorige,
hij blijft Bruun als baron aanspreken, terwijl hij hem indirect als
een graaf vleit en zichzelf een laag profiel aanmeet.
Het zelfbeklag neemt in de volgende verzen aardige proporties aan.
Reynaert hoopt nu eenmaal op een irrationele reactie van adelborst
Bruun. En die komt er ook. Bruun vraagt Reynaert naar de honinglekkernij.
Daarbij verliest de beer zijn sociale meerderwaardigheid uit het oog
en neemt hij de aanvankelijke aanspreking van Reynaert over. "Edele
reinaert, soete neve" (v. 579) klinkt dan ook als een ironische
echo van Reynaerts eerdere "Here Buun, wel soete vrient".
Zoals Reynaerts ogenblikkelijke repliek ("Ghewinnen, Brune?",
v. 583) een doublure lijkt van Bruuns eerdere "Sidi in huus,
Reinaert?". Op het moment dat hij zich psychologisch sterker
waant dan zijn belager, geeft hij onverwijld het formele register
op en parodieert hij als het ware dat van Bruun. De sociale rollen
zijn dan ook finaal omgekeerd.
Bruun is alleen nog belust op persoonlijk gewin en biedt Reynaert
zijn hulde aan in niet mis te verstane feodale termen: "Bi uwer
trauwen, laet mi weten /.../ Waendic u hulde daer mede verdienen"
(vs. 587 en 592). Voor Reynaert kan het nu nog nauwelijks fout lopen.
Het huldebetoon van baron Bruun maakt van hen beiden voor de gelegenheid
gelijken van stand, in adellijke zin wel te verstaan. En dat laat
Reynaert ook blijken wanneer hij Bruun vraagt zijn pleitbezorger te
zijn aan het hof. Op een gewichtig moment als dit neemt hij weer afstand
en keert hij, welbewust, terug naar het formele register van daarvoor.
En dus heet het: "Heere Brune, wildi mi wesen hout" (v.
604). Pas nadat Bruun hem van zijn voorspraak heeft verzekerd, verschijnt
hij voor Bruun en neemt hij hem op sleeptouw richting "Lamfreits
binnen den tune" (v. 644). Hiermee is het formele verleidingswerk
in de strikte zin voor Reynaert afgelopen.
Zoals gezegd presteert Boorman iets gelijkaardigs wanneer hij Korthals
in diens eigen huis gaat strikken, om zich te revancheren vanwege
het hem eerder aangedane bedrog. Zodra hij en Laarmans (alias de Mattos)
bij de begrafenisondernemer zijn binnengelaten, gaan ze zitten, in
afwachting van Korthals verschijning. In feite wordt daarmee
een woordloze voorzet gegeven die het aanstaande register aankondigt.
Boorman wil namelijk van meet af aan het roer in handen nemen. Hij
opent dan ook de dialoog en niet Korthals (wat toch voor de hand zou
liggen). Na die opening stelt Boorman zich op een hele formele manier
voor. Althans, hij licht zijn functie en het doel van zijn komst omstandig
toe. De verwoording is over de hele lijn schijnbaar afstandelijk en
neutraal, en wat dat betreft vergelijkbaar met Reynaerts taalgedrag
in de eerste fase van de hiervoor beschreven verleiding. Maar de gestrekte
(en duidelijk ingestudeerde) boodschap van Boorman bevat ten minste
drie valkuilen voor Korthals. Zo nodigt Boorman hem uit te gaan zitten
in zijn eigen huis: "Doch gaat u zitten". Opnieuw een kwestie
van toonzetting. Daarbij sluit hij zijn voorstelling af met een suggestieve
vraag die zowel vleiend als vertrouwenwekkend moet overkomen voor
Korthals: "En ik geloof wel dat ik voor betrouwbare inlichtingen...
aan t goede adres ben ...?". Bovendien noemt hij, ondanks
zijn omstandige introductie, zijn eigen naam niet.
Boormans berekende aanhef heeft het gewenste effect, want de neergezeten
Korthals is aan de nodige verwarring toe, zoals uit zijn houding en
zijn antwoord blijkt. Korthals repliek is aanvankelijk even
formeel ("Mijnheer, ik keur uw initiatief volkomen goed..."),
maar neemt al snel een bocht. Korthals betoog wordt daarbij
defensief van inslag: hij wijst namelijk de beunhazen af en prijst
gelijkelijk de vaklui de hoogte in (zoals Boorman en hijzelf er zijn).
Gaandeweg wordt zijn pleitrede minder formeel omdat hij het register
van de reclamejongens overneemt. Hij heeft het over "kale uitvaarten",
"de socialen", iets "velen", iets "inpikken".
Hij lijkt voluit te spreken als een brochure. Elsschot kan het echter
niet laten de bevlogen kletstoon van Korthals te contrasteren met
een banale en dus ironische gebeurtenis (overkokende melk), waardoor
Korthals van zijn professionele troon gehaald wordt. Dat hij overigens
vooral zijn eigen publiciteit wil verzorgen, wordt onderstreept door
het feit dat hij, na het keukenintermezzo, letterlijk een brochure
("een circulaire") te voorschijn haalt, en over de bijzondere
diensten van zijn bedrijf orakelt op een toon die iets samenzweerderigs
krijgt. "Onze lieve doden" zijn die van Boorman én
Korthals.
De schijnbare familiariteit van dat alles ontgaat Boorman allerminst.
Voor Boorman is zulks de gedroomde aanleiding om over te schakelen
op een informeel register, al kan hij niet aan de verleiding weerstaan
Korthals eerdere openingszin letterlijk te imiteren. Die zin
keert als een echo naar Korthals terug, ongeveer zoals Reynaert de
echo van Bruuns openingszin naar zijn belager terugstuurt (cf. supra).
Hiermee is Boormans aanval in regel ingezet. Hij wil namelijk niets
minder dan de al gezeten Korthals op de knieën dwingen en plaatst
dan ook tegenover Korthals defensieve register dat van de offensiviteit.
Hij verplettert zijn opponent door tegen hem over hemzelf te spreken
op een onbepaalde en naamloze manier. Zo heeft hij het over "een
schraapzuchtige kerel", "een firma", "die vent".
Erg dreigend allemaal, want de niet nader genoemde is Korthals zelf.
En die heeft begrepen, en gaat dan ook letterlijk onderuit. Voor een
tweede keer nodigt Boorman Korthals uit te gaan zitten.
Op het ogenblik dat Korthals capituleert, keert Boorman net lang genoeg
naar een erg formeel gedrag terug. Hij kiest voldoende lang voor het
register van de stilte, wellicht om Korthals zwakheid en zijn
eigen superioriteit te onderstrepen, zoals Reynaert na Bruuns dreigement
er eveneens lang het zwijgen toe doet ("Menichfout was sijn ghedochte",
v. 540). Zwijgen kan tenslotte niet verbeterd worden. Als de handtekening
is gezet, neemt Boorman op een hoogst afstandelijke manier van hem
afscheid. Pas dan noemt hij ook zijn eigen naam. Een situatie die
alweer parallel loopt met Reynaerts formele vraag naar Bruuns bescherming
voor hem aan het hof. Het verschil is wél dat Korthals zich
van zijn nederlaag pijnlijk bewust is, terwijl Bruuns pijn nog moet
komen. Het afsluitende "tot genoegen" klinkt Korthals wellicht
schrijnend in de oren. En zo is het ook bedoeld.
Zoals uit het voorgaande hopelijk blijkt, laten een aantal gelijkenissen
zich vrij aardig inschalen. Beide passages vertonen vergelijkbare,
keurig getimede registerwissels, goed berekende psychologische effecten,
persiflerende herhalingen, en een strategische stap-voor-stap-aanpak.Tegelijk
vallen ook wezenlijke verschillen op. De wraakactie van Boorman is
voornamelijk gebaseerd op chantage. En dat geldt ook voor het latere
vergeldingsgedrag van mevrouw Lauwereyssen, voor mevrouw Brulot en
mevrouw De Keizer, die haar echtgenoot, jammer genoeg voor hem, op
welgeteld één bordeelbezoek heeft betrapt. In de Reynaert
daarentegen is het de vos telkens weer te doen om een hoogst talige
stategie, met als enige hoogst ontalige doel zijn slachtoffers zoveel
mogelijk fysieke schade toe te (laten) brengen. Reynaert verlokt,
verleidt, bindt zijn tegenstrevers de dood aan. Het discours van Reynaert
is dat van de volstrekte amoraliteit. Het discours van Elsschots werk
heeft alles van doen met een positiebepaling ten opzichte van de gemiddelde
burgermoraal. Terecht merkt Vic van de Reijt op dat het "schuldgevoel"
van meet af aan in Elsschots werk aantreedt en "daaruit nooit
meer verdwenen is" (37).
Maar dat verschil in tonaliteit kan niet verhinderen dat beide Willems
verwante geesten zijn, die elkaar, ondanks een afstand van eeuwen,
recht in de ogen kunnen kijken. Ze zijn tenslotte allebei even onsterfelijk,
want net als Reynaert, "loopt (Boorman) nog steeds en zal (hij)
pas rust vinden in de dood" (Het been,
p. 410).
Noten
- Vgl. Jean Surmont,
Willem Elsschot.Tussen droom en daad,
Baarn, Tirion, 1994, p. 225. Volgens de aldaar geciteerde Walter
De Ridder was Elsschot doorgaans heel mild en is de veroordeling
van Claus debuut veeleer een uitzondering.
- Willem
Elsschot, Brieven, Verzameld
en toegelicht door Vic van de Reijt met medewerking van Lidewijde
Paris, Amsterdam, Querido, 1993, p. 768.
- Over Elsschots
literaire voorkeuren, zie Frans Smits, Willem
Elsschot. Zijn leven / zijn werk en zijn betekenis als prozaschrijver
en dichter, H&S Publishers, Utrecht, 1976 (ongewijzigde
herdruk van de tweede druk, 1952), p. 16-17. (Aan Jan Greshoff bekent
hij in 1933 : "Je moet weten dat ik bijna nooit lees".
Zie Willem Elsschot, Brieven,
p. 107.)
- Albert Westerlinck,
Over Willem Elsschot, de schrijver, en
Alfons De Ridder, mijn vriend, in
Alleen en van geen mens gestoord. Verzamelde opstellen,
2de reeks, Leuven, Davidsfonds, 1964, p. 195.
- Ida De Ridder,
Willem Elsschot, mijn vader,
Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1994, p. 89.
- Willem Elsschot,
Brieven, nr. 379, p. 369-370.
- Elsschot was
in het bezit van de tweede druk van de Mullereditie. Ik heb zijn
verwijzingen nagetrokken op basis van de derde druk, die dezelfde
kanttekeningen bevat. Wie Mullers verklaring in extenso wil nalezen,
zie Van den vos Reinaerde, Critisch
uitgegeven door prof. Dr. J.W. Muller, Leiden, E.J. Brill, 1944,
p. 108.
- Zie daarover
Frans Smits, a.w., p. 129 en
Jean Surmont, a.w., p. 145.
- Willem Elsschot,
Brieven, p. 1011.
- Zie Als
een onweder bij zomerdag. De briefwisseling tussen Louis Paul Boon
en Willem Elsschot. Bezorgd door Jos Muyres en Vic van
de Reijt, Amsterdam, Querido, 1989, p. 58 en Willem Elsschot,
Brieven, p. 632.
- Herman Heyse
& Rik van Daele, De Reynaertbronnen
van Louis Paul Boon. Een bijdrage tot de studie van de genese van
Wapenbroeders, in: De kantieke
schoolmeester, 1992, 1/2, p. 335. Zie ook Rik van Daele,
Louis Paul Boon en Reynaert de vos: wapenbroeders.
Over Boons bronnen en poëtica, in: Tiecelijn,
1999/2, p. 54-55.
- Martinus Nijhoff,
Reinaard de ridder of Elsschot de vos,
in: De veelkantige criticus,
Vlaamsche pockets, s.d., p. 120.
- Willem Elsschot,
Brieven, p. 822.
- Albert Westerlinck,
a.w., p. 185-186.
- Zie daarover
Rik van Daele, Van den vos Reynaerde. De
vos die je ziet ben je zelf, in: (red.) Dirk de Geest
en Marc van Vaeck, Brekende spiegels. Beeldveranderingen
in de Nederlandse literatuur, Leuven, Peeters, 1992,
p. 19-41.
- Jan Greshoff,
Onofficiële letterkunde. Willem Elsschot,
in: Uitnodiging tot ergernis. Keuze uit
eigen werk, Den Haag, Bert Bakker/Daamen, 1957, vooral
p. 115-116.
- Menno ter Braak,
De persoonlijkheid van Willem Elsschot, in: Willem Elsschot,
Kaas. Met een recensie van M. ter Braak,
Amsterdam, Querido, 1998, p. 109 e.v.
- Frans Buyens,
Willem Elsschot, een burgerlijk geweten,
s-Gravenhage, BZZTôH, 1978, p. 44 e.v.
- Garmt Stuiveling,
Reinaert redivivus, in: Uren
zuid. Drie dozijn ontmoetingen over de grens, Hasselt,
Heideland, 1960, p. 40 (eerste citaat) en p. 44 (tweede citaat).
- Jean Surmont,
a.w., p. 76 e.v.
- Dina Van Berlaer-Hellemans,
De poëzie van Richard Minne in het licht van de ironie,
Hasselt, Heideland-Orbis, 1975, p. 83 e.v. (Zie ook: Ton Anbeek,
Reve en de romantische ironie,
in: Het donkere hart. Romantische obsessies
in de moderne Nederlandstalige literatuur, Amsterdam,
Amsterdam University Press, 1996, p. 112-116.
- Yves TSjoen,
Nuchtere dronkaards. Over Richard Minne
en Willem Elsschot, in: Ons
Erfdeel, 1993/3, p. 385.
- Guido Lauwaert,
Villa Elsschot. Omtrent Kaas en andere
onthullingen rond Willem Elsschot en zijn werk, Guido
Lauwaert & Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 1991, p. 63. Zie ook
brief 1105 in: Willem Elsschot, Brieven,
p. 942-943.
- Alle Elsschotcitaten
zijn afkomstig uit Verzameld Werk,
Amsterdam, Van Kampen en Zoon, 1960, 4de druk. Voor het citaat uit
Het been, zie p. 404.
- Zie daarover
Rik van Daele, Ruimte en naamgeving in
Van den vos Reynaerde, Gent, Koninklijke Academie voor
Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1994, p. 446 e.v.
- Alle Reynaertcitaten
zijn afkomstig uit de editie van Muller, Van
den vos Reinaerde, derde druk, Leiden, 1944 (op details
na de Reynaerttekst die Elsschot vanaf 1939 heeft gelezen). Voor
het lekenbiechtcitaat, zie p. 166, vs. 1657-1659.
- Zie Koen Raes,
Over cynisme en culturen die cynisch maken,
in: Kultuurleven, 1999/1, p.
55 (ook voor de andere citaten).
- Peter Sloterdijk,
Kritiek van de cynische rede,
Amsterdam, De Arbeiderspers, 1992, 2de druk, p. 195.
- Yvan De Maesschalck,
Willem, een proto-feminist?,
in: (red.) Rik van Daele, Marcel Ryssen, Erwin Verzandvoort, Reynaert
bloemleest Tiecelijn, Sint-Niklaas, vzw Tiecelijn-Reynaert,
1993, p. 94-102.
- Zie daarover
Rik van Daele, Ruimte en naamgeving in
Van den vos Reynaerde, p. 471- 477.
- Michel Onfray,
Cynismen. Portret van de hondse filosoof,
Baarn, Ambo, 1992, p. 76-77. (Cynismes,
de oorspronkelijke Franse versie verscheen bij Editions Grasset
& Fasquelle in 1990.)
- Willem Elsschot,
Brieven, p. 944.
- Over het stilistische
meesterschap van Elsschot zie o.m. Johan Anthierens, Muggendans
rond een monument, in: Willem
Elsschot. Het ridderspoor, Leuven, Meulenhoff/Kritak,
1992, p. 99-110 en Jeroen Brouwers, Uren
bij het theelicht. De Elsschotkunde van Karel van het Reve,
in: Vlaamse leeuwen, Amsterdam,
De Arbeiderspers, 1994, p. 249 e.v.
- Jeroen Brouwers,
De muze met het rode potlood. Over Anna
Christina van der Tak, in: Vlaamse
leeuwen, p. 265-272. (Elsschot droeg zijn debuut Villa
des Roses, aan haar op.)
- Greshoffs getuigenis
wordt geciteerd door Annemarie Kets-Vree in: Woord
voor woord. Theorie en praktijk van de historisch-kritische uitgave
van een prozatekst, gedemonstreerd aan Een ontgoocheling van Willem
Elsschot, Utrecht, H&S, 1983, p. 54-55.
- Voor een definitie
van het aan J.R. Firth ontleende begrip
register, zie: Willy Smedts en William van Belle, Taalboek
Nederlands, Pelckmans, Kapellen, 1996, p. 334 en Norbert
Dittmar, Handboek van de sociolinguïstiek,
Utrecht/Antwerpen, Het Spectrum, 1978, p. 143.
- Vic van de
Reijt, Fragmenten over Willem Elsschot,
in: Uren met Karel van het Reve. Liber
Amicorum, Amsterdam, Van Oorschot, 1991, p. 152.
juni-juli
1999
|