Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

Lof der hondsheid. Willem en Elsschot: een koninklijk meervoud

 
Zoek

 

Yvan de Maesschalck



Het is bekend dat Willem Elsschot (1882-1960) niet zelden erg strenge criteria aanlegde wanneer hem werd gevraagd te oordelen over (jonge) debutanten (1). Zo waren zijn lovende woorden doorslaggevend bij de toekenning van de Leo J. Krijnprijs aan beginneling Boon voor diens De voorstad groeit (1942) en sprak hij ongeveer tien jaar later even opvallend negatief over Claus’ debuut De Metsiers (1950), waarvan hij de lectuur in een aan uitgeverij Manteau gerichte brief een bewijs van "zelfopoffering" noemde (2). Bekend is ook dat Elsschot, die zichzelf een onverbiddelijke discipline oplegde, van andere schrijvers een even hoogstaande literaire ascese verwachtte, vooral als het erom ging kopij te beoordelen als lid van een of andere jury. Het verbaast dan ook niet dat hij, wanneer hij zijn kritische blik liet waren over oude (Vlaamse) teksten, alleen met het beste deel ervan genoegen nam. Kieskeurig lezer als hij was, savoureerde hij zorgvuldig (3). Alweer verbaast het nauwelijks dat precies het kroonjuweel van de Middelnederlandse epiek steeds weer zijn onverdeelde aandacht kon opeisen. Elsschot was immers een hartstochtelijk bewonderaar van Van den vos Reynaerde, "waarvan hij fragmenten van buiten kende en soms reciteerde" (4). Dat de Reynaert hem na aan het hart lag, blijkt ook uit de keuze van zijn nom de plume: Willem is volgens Ida De Ridder een rechtstreekse verwijzing naar Willem die madoc maecte (5).

Meteen is een eerste raakpunt tussen beide literaire fenomenen aangestipt: Elsschot als bevlogen Reynaertlezer. Dat lijkt weinig opzienbarend, maar wie de Brieven-editie van Vic van de Reijt ter hand neemt, merkt dat Elsschot in méér geïnteresseerd is dan in het verhaal zelf of de fratsen van een legendarische vos. Hij wil kennis nemen van wat hij, enigszins voortvarend, meer dan eens de ‘oorspronkelijke’ tekst noemt. Vandaar zijn oprechte waardering voor het filologische slijpwerk van J.W. Muller, die in 1939 een aangevulde versie van zijn ‘kritische’ Reynaertuitgave liet verschijnen. Elsschot voelt zich overigens zozeer met de tekst van het epos vertrouwd dat hij het waagt professor Muller ongevraagd van advies te dienen. In zijn brief van 7 december 1939 (6) levert hij onder meer commentaar bij Mullers poging om ‘eere ontmakighe van lanternen’ (sic) in v. 800 te verklaren als een oplapster/herstelster van lanternen (7). Elsschot ziet in het bizarre ‘lanternen’ een verschrijving voor latrines (= schijthuizen) omdat lanternen in de moderne betekenis hem al te anachronistisch in de oren klinkt. Ook in verband met ‘putepeel’ en ‘vuulmaerte’ suggereert Elsschot een alternatieve ‘Vlaamse’ scabreuze verklaring, iets waar hij blijkens andere bronnen bepaald talent voor heeft (8). Muller heeft op die brief niet geantwoord.

Dat Elsschot desondanks hardnekkig vasthoudt aan zijn (minimale) tekstkritiek én aan de Mullereditie blijkt jaren later uit een aan Jan Villerius gerichte dankbrief van 7 oktober 1958, naar aanleiding van twee hem toegestuurde Reynaertedities, m.n. die van Tinbergen-Van Dis en die van J.F.Willems-Hellinga. Hij komt daarin terug op de betekenis van ‘outmakkighe’ (dat hij nu correct overneemt) en merkt in de aanhef op dat hij niet begrijpt wat Tinbergen aan de Mullertekst zou kunnen veranderen. Elsschot schrijft: "De tekst door Dr. Tinbergen zal wel dezelfde zijn want ik zie niet goed in wat hij er zou kunnen en durven aan wijzigen" (9). Met andere woorden, Elsschot beschouwt de Mullereditie als de definitieve, en voor zijn part, oorspronkelijke versie van de Reynaert.

Elsschots exemplaar heeft overigens goede diensten bewezen aan de verspreiding en literaire naleving van het Reynaertverhaal. Niemand minder dan L.P.Boon heeft Elsschots boek verscheidene jaren in bruikleen gehad. Uit de in 1989 gepubliceerde, ook in de Brieven opgenomen briefwisseling tussen beide schrijvers, valt af te leiden dat Boon de Mullereditie kort na 12 december 1946 in zijn bezit moet hebben gekregen. Hij schrijft immers: "Wat het boek van Pr. Muller betreft, gij kunt mij geen groter plezier doen dan met het mij een paar maanden in bruikleen te geven. Ik verwacht het, zo spoedig mogelijk" (10). Betekenisvol is ook de volgende zin waarin Boon hoopt op Elsschots expertise te kunnen rekenen in verband met de Reynaert. Er staat letterlijk: "... Reinaert waarvan ik weet op u te mogen rekenen als er in de tekst een of ander is dat mij ontsnappen zou ...". Boon beseft dus dat Elsschot een Reynaertlezer is van ongewone snit. Dat Elsschot zijn boek lang heeft moeten missen, blijkt uit Boons brief van december 1952. Hij vraagt Elsschot, die om zijn boek heeft gevraagd, "nog acht dagen medelijden" met hem te hebben. Het is niet onwaarschijnlijk dat Boon, die terwille van Wapenbroeders en De Kapellekensbaan een Reynaertlezer sui generis was geworden, Muller in extremis heeft gebruikt om "zijn reeds bestaande De Kapellekensbaan-tekst achteraf" te "amenderen" (11). Het lijkt redelijk te veronderstellen dat Elsschot meer en intensiever Reynaert zou hebben herlezen als Boon hem niet jaren lang (zeker tot eind 1952) op zijn schrijftafel had laten liggen.

Waarom Elsschot ongeveer zes jaar geduld heeft gehad vooraleer zijn Muller terug te vragen, is uiteraard onbeantwoordbaar. Maar dat de teruggave in 1952 valt, heeft misschien wel een externe oorzaak. Op zondag 11 mei 1952 heeft namelijk in Antwerpen een luisterrijke Elsschotviering plaats naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag. Bij die gelegenheid brengen verscheidene sprekers hulde aan de schrijver en zijn oeuvre. Onder hen Albert Westerlinck, criticus en persoonlijke vriend van de schrijver, Frans Smits, zijn achterneef en ‘officiële’ biograaf, Raymond Herreman, voormalig redacteur van ‘t Fonteintje en Forum, en Martinus Nijhoff, alomgeprezen dichter en onvervalst Elsschottiaan. Vooral laatstgenoemde spreekt een opmerkelijke laudatio uit, waarin hij Elsschots "wereldbeeld" nabij tracht te komen door het met Reynaerts inborst te vergelijken. Nijhoff stelt onomwonden dat "in het wezen en het werk van Willem Elsschot ... een hedendaagse echo van de ongeëvenaarde en onsterfelijke Reinaard" hoorbaar is (12).

Nijhoff staat met die opvatting niet alleen. In een brief van L.P. Boon (12 mei 1952) en een uitvoerig stuk van Jan Greshoff (6 december 1952) wordt Elsschots schrijverschap nogmaals gerelateerd aan de eigen aard van de befaamde vos. In zijn brief waarschuwt Boon hem voor pluimstrijkerij, eraan toevoegend: "Gij kent de mensen. Niemand beter dan gij, vos Reinaerde, die de mensen kent" (13). Bovendien worden in het najaar van 1952 de eerder uitgesproken feestreden gepubliceerd bij Van Kampen, Elsschots uitgever. Al deze steeds weer gemaakte referenties aan het geesteskind van Willem die Madoc maecte wettigen de hypothese dat Elsschot ging terugverlangen naar wat Reynaertlectuur en dus naar zijn Mullereditie. Wellicht niet om zich te herbronnen, want de schrijver hield de schrijverij voor bekeken. Maar misschien wel om de juistheid van een en ander voor zichzelf na te gaan.

Ook in het in de jaren zestig gepubliceerde overzichtsartikel herinnert Albert Westerlinck aan Nijhoffs lofrede en aan zijn eigen toentertijd gemaakte parallel tussen Cervantes’ Don Quichote en Elsschots Laarmans-Boormancombinatie. Westerlinck tracht bovendien de zo vaak vermelde Reynaertcomponent in Elsschots oeuvre nader te omschrijven. In zijn typering vallen termen als "cynische kijk", "illusieloze kijk op de mens", "amoralisme","onverzettelijke zelfstandigheids- en vrijheidszin", "kentrekken die aan onze beroemde vos herinneren". Voortredenerend komt Westerlinck onvermijdelijk bij Boorman terecht. Hij omschrijft hem als "de intelligente Reynaert die zich tot de tanden wapent om de wereld te attaqueren, cynisch in de agressie en sluw wanneer hij zich veilig stelt" (14). Terwijl Nijhoff het thema van de spoorloze, in list en camouflage doorknede vos bespeelt, vindt Westerlinck in Elsschots werk een hang terug naar deregulering, openlijk verzet, vrijbuiterij. Motieven overigens die hij, door ze in één adem te noemen, niet negatief lijkt te connoteren én die daarenboven aardig rijmen met de tijdgeest van de jaren zestig. Westerlinck ziet m.a.w. in Elsschot de Reynaert die het culturele en sociale klimaat van het decennium hem onbewust ingeeft te zien. Hiermee bevestigt Westerlinck het door Rik van Daele uitgewerkte concept dat elke periode haar eigen Reynaertbeeld construeert (15).

Het Westerlinckartikel is erg revelerend, niet alleen ten aanzien van een welbepaald vossenbeeld, waarvan de auteur veronderstelt dat het overeenstemt met dat van de gemiddelde lezer, maar ook ten aanzien van Elsschots schrijverschap. Westerlinck hanteert immers een aantal begrippen als amoralisme, cynisme en ironie die hij zomaar toepasbaar acht op zowel Elsschot als de Reynaert. Hij gaat daarbij even morsig te werk als Jan Greshoff, die in zijn definitieve Elsschotstudie evenmin onderscheid maakt tussen cynisme en wat hij onder meer "ironische scherpzinnigheid" noemt (16). Het laat zich aanzien dat het epitheton ‘cynisch’ al te gretig en al te gratuit wordt aangekleefd. Alleen al de vaststelling dat een aantal recensenten en commentatoren het begrip cynisme probleemloos toepast op Elsschots werk en een even groot aantal datzelfde begrip afwijst, maakt een begripsafbakening noodzakelijk.

Auteurs die Elsschots werk niet cynisch achten, zijn er overigens voldoende. Naar aanleiding van de verschijning van Kaas (1933) plaatst Menno ter Braak een stuk in Het Vaderland (3 december 1933) waarin hij nader ingaat op "de persoonlijkheid van Willem Elsschot". Hij wijst het verband met cynisme af, maar beklemtoont zijn "gemakkelijk te ontroeren ziel", zijn observatievermogen en vooral zijn "rijkdom van humor" (17). Frans Buyens van zijn kant doet er in zijn vaak herdrukte monografie over Elsschot alles aan om "het misverstand aangaande het zogenaamde cynisme van Elsschot" (18) op te helderen. En in zijn uitvoerige beschouwing Reinaert redivivus, naar aanleiding van de tweede druk van Frans Smits’ biografie en de publicatie van voormelde feestreden, stelt Garmt Stuiveling onomwonden dat Elsschot "geen virtuoos van het sarcasme... is geworden maar wél: een grootmeester van de ironie". Opmerkelijk is dat hij, mét Nijhoff, in Elsschot een moderne versie van de oude Reynaert begroet. Dat blijkt niet alleen uit de titel, ook de slotzin laat niets aan duidelijkheid te wensen over: "Nijhoff heeft Willem Elsschot, de ongrijpbare, resoluut geplaatst op de enige plek waar hij wézenlijk thuis hoort: naast die andere Vlaamse Willem, de allergrootste, die de ‘Reinaert’ schiep" (19).

Het mag intussen duidelijk zijn dat in hedendaagse commentaren de teneur van Elsschots werk onder de noemer ‘ironie’ wordt geplaatst en niet onder die van het cynisme. In zijn aanzet tot biografie wijst Jean Surmont op het feit dat die ironie een bepaalde ideologie vorm geeft, maar tegelijk een stilistisch procédé is (20). Hij doet daarbij een beroep op de omschrijving van ironie zoals die door Dina Hellemans is uitgewerkt in haar studie De poëzie van Richard Minne in het licht van de ironie (1975). Zonder het begrip sluitend te omschrijven maakt Hellemans duidelijk dat ironie alles heeft te maken met contrasterende, indirecte, speelse en vaak allegorische of metaforische verwoordingen die afstand (Distanz) scheppen ten opzichte van de beschreven werkelijkheid (21). Wat hier voor Minne geldt, lijkt meteen ook van toepassing op Elsschot. Niet toevallig stelt Yves T’Sjoen in zijn opstel over parallellen tussen beiden het volgende: "Geen humor noch cynisme, maar ironie - zo ondervertegenwoordigd in de Nederlandse literatuur - werd het handelsmerk van twee auteurs die geen toegevingen aan publiek noch critici wilden doen" (22). Tot de aanstekelijkste voorbeelden van Elsschottiaanse ironie behoren madame Brulots liefde voor haar troetelaapje Chico, inclusief haar bijna onderwerelds misbaar bij de dood van het diertje en, in scherp contrast daarmee, haar hooghartige minachting voor meneer Brulot in Villa des Roses. De rechtsgang in Het been is een hilarisch voorbeeld van een juridische mundus inversus waarbij eiser en verweerder elkaars rol hebben overgenomen. Misschien is zelfs het hulpvaardig optreden van vader Laarmans in de Antwerpse havenbuurt van Het dwaallicht weinig meer dan het gedroomde ironische alibi om eindelijk op erotisch avontuur uit te trekken, zij het dan geflankeerd door drie op zijn fatsoen toezicht houdende ‘wijzen uit het Oosten’ (23). Het zou hoe dan ook een uitvoerige studie vergen om de ironische strategieën op narratief, stilistisch en ideëel niveau bij Elsschot in kaart te brengen.

Al bij al blijft de vraag voorliggen of wat Minne en Elsschot lijkt te binden met evenveel recht kan worden geprojecteerd op Elsschots werk en de Reynaert. In de verhalen van beide Vlamingen worden allerlei ondeugden en morele onwaarden uitgebeeld en ontmaskerd. In de Reynaert wordt het vossenpersonage als onbarmhartig instrument gehanteerd om de verregaande plompheid en het ongebreidelde egoïsme van volk en establishment te gispen. De suggestie is onmiskenbaar dat de gehavende pastoor, de bedrogen Isegrim, de toegetakelde Bruun evenmin als het potsierlijke, hebberige vorstenpaar of de in de strot gebeten Cuwaert op enige verzachtende omstandigheden staat kunnen maken. Zij hebben hun ondergang of teloorgang uiteindelijk aan zichzelf verdiend. Iets gelijkaardigs gaat ook op voor de halfzachte, halfgeslaagde burgermannetjes bij Elsschot. Ook zij laten zich bij voorkeur leiden door weinig verheven, kleinmenselijke motieven. Daarom laat weduwe Lauwereijssen zich eindeloos lang lijmen, moet pastoor Kips zijn pastorale naïveteit met de dood bekopen in De verlossing, wordt De Keizer in Een ontgoocheling het slachtoffer van zijn eigen niet ingeloste verwachtingen, die alleen maar met een opzichtige begrafenis schijnbaar worden toegedekt.

Het verschijnsel mens als de onvermijdelijk gedupeerde primeert in het werk van de oude en de nieuwe Willem. Laatstgenoemde laat de aangeboren zwakheid van menig personage bij uitstek blijken in de romans waarin Boorman op het appèl verschijnt. Boormans optreden onderstreept dat de mens niet alleen te bedriegen valt, maar ook graag bedrogen wordt (mundus vult decipi), omdat hij nu eenmaal gevoelig is voor eigendunk, protserigheid en praal. Als Boorman in het gasthuis verblijft te midden van zachtzinnige geestesgestoorden, houdt hij voor Laarmans een rede die voor zijn geestelijk testament kan doorgaan: "Krijgt men niet voortdurend veel eigenaardiger dingen te zien? Heren van gezag behangen met decoraties, prelaten knikkend onder mijters en brocaat, somber achter de eerste de beste lijkkoets aanstappend als braken zij van smart en zich plechtiger bewegend dan bij ‘t zinken van hun eigen moeder, vooral wanneer die in haar jeugd een café gehouden heeft" (24). Veelbetekenend in dit verband is de houding van Laarmans, aangezien hij de theatraliteit van burgerlijke drukdoenerij wel degelijk aanvoelt. Waar hij ook zijn opwachting maakt, telkens weer wekt hij de indruk tegen beter weten in op te komen voor de rechten van zijn familie of die van hemzelf. Zelfs in Tsjip, waarin hij het lot van zijn dochter en kleinkind bevecht tegen Bennek, de Poolse echtgenoot van Adèle, is een zeker gevoel van defaitisme en weerloze overgave aan wat komen moet hem niet vreemd.

Hoewel het in hun beider werk onmiskenbaar gaat om ontmaskering van maatschappelijke waardensystemen, verschilt de (auteurs)visie die via verteller en personages tot stand komt in meer dan één opzicht. In de Reynaert leidt het optreden van het hoofdpersonage tot een genadeloze ontluistering van de hoofse idealen die aan Nobels hof slechts in schijn worden beoefend. Door Reynaerts optreden aldaar worden de vigerende waarden ontkracht en wordt de bestaande orde ontregeld (25). Als het ware parallel daarmee wordt in Elsschots oeuvre de kleinburgerlijke code in al haar naaktheid geëtaleerd, maar van diep misprijzen geven de meeste (mannelijke) personages doorgaans geen blijk, wél van meewarigheid en schuldgevoel. Nog duidelijker blijkt het verschil in ‘klimaat’ wanneer men de meest frappante ontmaskeraars tegenover elkaar plaatst.

Het profiel van Reynaert de vos is ongetwijfeld genoegzaam bekend. Voor de Middelnederlandse toehoorder is hij de incarnatie van het demonische, beweegt hij zich letterlijk en figuurlijk normloos aan de overzijde van goed en kwaad (jenseits des Guten und Bösen). Reynaert is, als een ware Mephisto, immoreel en amoreel tegelijk; list en bedrog zijn voor hem dan ook een doel op zich; de leugen dient alleen het genot dat door het liegen zelf tot stand komt. Dat komt tot uiting in elk segment van het verhaal, maar misschien het striemendst in Reynaerts lekenbiecht, die volkomen voorbijgaat aan berouw en inkeer, maar door de woordelijke herinnering aan zijn wandaden die wandaden zelf schaamteloos weer tot leven roept. Vandaar dat Reynaert, die zich heeft vergrepen aan Hersinde (Ywenden), vol leedvermaak kan biechten: "Haer dedic (God moet mi vergheven) / Dat mi liever ware bleven / Te doene dan het es ghedaen" (26). Reynaert is met andere woorden een geslaagde vertegenwoordiger van het (Nietzscheaanse) cynisme, dat een nihilistische leer huldigt. Hij beantwoordt nagenoeg volkomen aan de omschrijving van Koen Raes: "De cynicus is een elitair intellectueel die zich via zijn cynisme distantieert van de massa, waarvan hij toch niets anders dan een gebrek aan goede smaak en gevoeligheid verwacht" (27).

Hetzelfde kan niet worden gezegd van Boorman, hoezeer die ook misbruik maakt van de willoosheid en ijdelheid van de burger. Boorman toont aan hoe ingeslapen en onnadenkend burger en maatschappij, individu en collectiviteit zich gedragen. Het scherpst is zijn optreden in het dubbelboek Lijmen/Het been, maar precies dat boek openbaart ook de morele begrenzing van Boorman, die door zijn eigenste lijmpraktijk ontdekt dat hij wezenlijk niet gewetenloos is. Als Boorman na de dood van zijn vrouw verneemt hoe het door hem genaaide liftenbedrijfje te gronde is gegaan en voormalig zaakvoerster weduwe Lauwereyssen haar wegkankerend been verloren heeft, wil de havik restitutie doen. Maar zijn slachtoffer weigert tegemoetkoming en houdt op die manier zijn wroeging gaande. Als zakenman genadeloos buigt hij uiteindelijk voor menselijk leed waar hij zich mede schuldig aan voelt. Hoezeer hij zich daarbij laat leiden door irrationele overwegingen blijkt wanneer hij Laarmans vraagt: "Zou er enig verband kunnen bestaan tussen onze honderdduizend exemplaren en het verlies van dat lid?" (Het been, p. 370). Dat Boorman niet uit hetzelfde cynische hout gesneden is als Reynaert blijkt ook uit Het tankschip. Hoewel de fictieve verkoop van de Guadaloupe tot doel heeft de fiscus op te lichten en Boorman de architect is van een hele constructie, wordt medeplichtige Jacky Peeters er zelf niet bepaald slechter van.

De Boormancreatie vertoont heel wat trekjes van wat Peter Sloterdijk met een nieuwvorming kynisme (afgeleid van het Grieks kunos = hond) heeft genoemd. In zijn magistrale studie Kritiek van de cynische rede (1984) beschrijft hij kynisme als een plebejische, volkse en subversieve reactie op de burgermoraal. In filosofische zin is Diogenes de eerste kynicus die de vrijpostigheid heeft beoefend als levensdeugd, een instelling die, volgens Sloterdijk, "de kracht en de kern van het kynisme" uitmaakt28. De kynicus - zoals Boorman er één is - "maakt zich vrolijk om de hypocrisie, de eigenwaan en de zelfgenoegzaamheid die hij rondom zich aantreft, maar doet dat nooit vanuit de hoogte, sympathiseert integendeel met het gewone volk". Aldus Koen Raes in het al genoemde opstel. Voor Boorman zijn er inderdaad grenzen, zelfs van morele aard, al kan hij niet aan de verleiding weerstaan het kapitalistische bestel lang en hard in zijn voegen te laten kraken. "Het wapen van de kynicus is de ironie en de satire, als een verdedigingsmechanisme van de zwakkere die in de eerste plaats de ‘zelftevredenheid’ van de midden- en heersende klassen te kijk stelt". Nogmaals Koen Raes. Het hoeft nauwelijks herhaald hoezeer kynisme en ironie op elkaar rijmen en het hart uitmaken van Elsschots mensbeeld.

Willem-van-de-Reynaert en Willem Elsschot kijken blijkbaar op een andere, erg verschillende manier naar de wereld. Het is dan ook de vraag of er voldoende gronden overblijven om de teksten van de beide schrijvers op elkaar te betrekken. Het antwoord is, geloof ik, bevestigend. Zo zou men in het befaamde duo Laarmans en Boorman een herschreven versie kunnen zien van het spitsbroederlijke en tegelijk aartsvijandelijke tweetal Isegrim en Reynaert. Ze lijken me even onlosmakelijk met elkaar verbonden als de dierenpersonages, gelden in menig opzicht als elkaars tegenbeeld, komen zo nadrukkelijk in beeld dat ze ook buiten het boek lijken te leven. Natuurlijk lust de aanvankelijk als een studentikoze idealist geportretteerde Laarmans (met stok, baard en verwarde haren) naderhand Boormans vel niet, - daarvoor is het streven naar identificatie iets te groot. Natuurlijk krijgt Reynaert het vel van Isegrim wél te pakken, bijvoorbeeld in de vorm van Hersindes wolvenklauwen. Maar een en ander neemt niet weg dat deze personages zonder elkaar niet eens zouden bestaan binnen de grenzen van de fictie. Reynaert lijkt zo onoverwinnelijk omdat hij zijn kompaan en aartsrivaal telkens weer te snel af is, zoals Boorman steeds weer functioneert als het ‘slechte’ geweten van Laarmans, alsof hij met een onzichtbare maar hechte draad met hem is verbonden. De verhouding tussen wolf en vos, meester en knecht wordt beheerst door andersgetinte maar vergelijkbare vormen van complementariteit, dualiteit en (averechtse) spiegeling.

Of Elsschot bovenstaand span bewust ontleend heeft aan de Reynaert, valt zoveel jaar later niet meer na te trekken. Althans, ten overstaan van Frans Smits of Ida De Ridder of in de gepubliceerde brieven heeft hij daarvan nooit gewag gemaakt. Toch heeft hij, naar mijn aanvoelen, de naam van één nogal schimmig personage rechtstreeks geleend bij zijn voornaamgenoot. Als Boorman en Laarmans voor het eerst weer aankloppen bij weduwe Lauwereyssen, dreigt zij hen af door een telefoontje te plegen naar een zekere Courtois (in Het been, p. 383). Die Courtois wordt alleen een figuratieve rol gegund, net aan de rand van het verhaal en dat komt aardig overeen met het bescheiden optreden van hondje Courtois in het dierenverhaal. Alleen is Elsschots Courtois een gevreesd agent, en bepaald minder beminnelijk dan de gelijknamige viervoeter. Wie weet krijgt Courtois hier voor de gelegenheid ongewild de bij zijn naam zo passende cerberus- of waakhondfunctie toegeschreven. Waarschijnlijk gebruikt Elsschot de Reynaertnaam ook vanwege het ironische contrast met de oorspronkelijke betekenis ervan.

Het kordate optreden van voornoemde mevrouw vormt meteen een brug naar een volgend raakpunt tussen beide oeuvres. Zo is het opvallend dat noch in de Reynaert, noch in Elsschots boeken de vrouw veel te vertellen heeft. Ze wordt nooit in de rol van verteller gecast. In Elsschots werk treedt niet zelden Laarmans als ik-verteller op, of ontmoet een overigens anonieme ik-verteller diezelfde Laarmans, die een boek lang durende bekentenis aflegt. Dat geldt voor Lijmen, Het been en Het tankschip bijvoorbeeld. De vrouw figureert er als kantoorbediende of als huissloof, die Laarmans’ bescheiden drijverijen een tijd aanziet, maar onverwacht dwars kan gaan zitten. Meer dan eens weet zij het verloop der dingen definitief naar haar intenties te plooien door koppig zwijgzaam verzet, of een herhaalde chantage die echtgenoot lief voorgoed weerloos maakt. Prachtige voorbeelden van de hardnekkigheid waarmee de vrouw het mannelijk hoofdpersonage klem rijdt zijn de moederfiguur in Tsjip en mevrouw De Keizer in Een ontgoocheling. Laatstgenoemde houdt haar zwakke echtgenoot onder de duim door hem op tijd en stond te herinneren aan zijn enig maar onfortuinlijk bordeelbezoek. Een aparte vermelding verdient uiteraard weduwe Lauwereyssen, omdat zij in de loop van de twee boeken uitgroeit tot een volwaardige partij voor Boorman: ze houdt hem jaren ‘gedecideerd’ op afstand door hem door zijn eigen geweten te laten folteren. Tot ze, op voorspraak van Laarmans’ priesterlijke neef, goedschiks inbindt.

In de Reynaert blijven de vrouwen ook op het secundaire plan, maar ze zijn niettemin prominent aanwezig in elk sleutelsegment van het verhaal (29). Het meest opvallend in dit verband lijken me Julocke en de eega van Nobel. Julockes zwempartij en de liefde van de pastoor voor haar zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor Bruuns geslaagde ontsnapping. In het procesgedeelte, wanneer Reynaert zijn verhaal opdiept over de vermeende schat van Ermeric, is het de koningin die haar gemaal buiten de rechtskring in een soort terzijde kapittelt. Ze maant hem geloof te hechten aan de leugen van Reynaert en zorgt er dus voor dat de sluwe vos oog- en kontdraaiend aan zijn vervolgers kan ontkomen.

Toch valt niet te geloven dat Elsschot zich op de Reynaert zou hebben geïnspireerd om zijn moederfiguur gestalte te geven. Wat hem in de Reynaert ongetwijfeld het meest heeft aangetrokken is de taalvirtuositeit van zijn verre voorganger. Die taalbeheersing komt in elk vers bovendrijven, maar gooit vooral hoge ogen in die gedeelten die een bij uitstek oraal karakter hebben, en dat zijn er heel wat. De sterkste voorbeelden zijn de verbale pijnigingen van Reynaert aan het adres van Bruun en Tibeert, na afloop van hun respectieve dagingen. Ook de Grimbeertscène is een hoofdzakelijk door Reynaert volgesproken onderdeel, waarin misdadige intenties en retorische taalkunst samen gaan. Opmerkelijk is dat Reynaert graag kerkelijke of klerikale beeldspraak opspit om zijn slachtoffers schaamteloos te schofferen. Een staaltje is wat Bruun na zijn pandoering te horen krijgt:

"Sire priester, Dieu vos saut.
Kendi Reinaert, den ribaut?
Den rooden scalc, dat felle dier.
Wildine scauwen, so sietene hier.
Nu seghet, priester, soete vrient,
Bi den heere dien ghi dient,
In wat ordinen wildi u doen,
Dat ghi draghet rooden capproen?
Weder sidi abt so priore?
Hi ghinc u harde na den oore
Die u dese crune hevet bescoren.
Ghi hebt uwen top verloren.
Ende uwe ruwe hantscoen af ghedaen.
Ic wane ghi wilt singhen gaen
Van uwen completen dat ghetide.

(Muller, p. 144-145, vs. 935-949)

Reynaert levert in bovenstaande verzen niet alleen een knap zelfportret, maar bouwt ook consequent aan het beeld van een pas van tonsuur voorziene monnik, uitsluitend met de bedoeling Bruuns open wonde in edik te drenken. Dat hij zelfs in het aanschijn van de dood zijn tegenwoordigheid van geest niet verliest, bewijst hij met de strop om de hals tijdens zijn publieke biecht. Ook daar weet de vos zijn adellijke publiek te ‘ontweghen’ door zijn ‘scone taele’, door een verhaal te fabuleren dat barst van overdrijvingen, preciseringen, anticiperingen, suggestiviteit en retardering (30). Als een echte ‘hondse filosoof’ weigert hij "zich te conformeren aan de mythe van de authentieke communicatie. (...) Omdat de taal machteloos is, neemt hij zijn toevlucht tot de woordspeling, die de mogelijkheden vertienvoudigt en het potentieel vergroot" (31). Al deze trucs worden hem uiteraard ter beschikking gesteld door de auteur, Willem zelf, die daardoor bewijst erg bewust met taal om te gaan. Alsof de huidige ‘lezer’ daar nog aan zou kunnen twijfelen. Waarschuwt de auteur immers zelf niet in de proloog dat hij niet voor "den dorpren ende den doren" schrijft, maar voor "die ghene... die gherne pleghen der eeren", voor lieden doorkneed in hoofse zeden? Van zo iemand mag dan ook taalkunst worden verwacht die beklijft.

Een vergelijkbaar taalbewustzijn is beslist ook in elk verhaal (en elk gedicht) van Elsschot aan te treffen. In tegenstelling tot zijn middeleeuwse naamgenoot, heeft hij wel een paar beschouwingen gepleegd die voor zijn expliciete poëtica kunnen doorgaan, met name de beroemde inleiding bij Kaas en het al even beroemde Achter de schermen, waarin hij de eerste bladzijde van Tsjip zin na zin commentarieert, zodat de lezer er de weifelende genese van meemaakt. Dat Elsschot een lans breekt voor een register waarin elk woord berekend is op het hoogst mogelijk effect, is intussen bijna een eigen leven gaan leiden. Aan Laurens Elzinga schrijft hij: "Het eeuwig zoeken naar HET juiste woord, dat dikwijls zo moeilijk te vinden is. Het zit soms naast je maar je merkt het niet omdat het zich stil houdt" (32). Dat de auteur zelf zich een leven lang aan zijn eigen strenge recept heeft gehouden, is natuurlijk geen klein bier en draagt tot de dag van vandaag de bewondering van elke Elsschotlezer weg (33). Overigens komen in zijn romans voldoende voorbeelden voor waarbij de schrijvende verteller zijn brief of tekst in wording van voorbeeldig stilistisch commentaar voorziet. Het volstaat te verwijzen naar de ingebouwde stijlanalyses in Tsjip, De leeuwentemmer, Lijmen, Het been en Kaas. Alleen al de manier waarop Elsschot Laarmans een naam voor zijn kaashandel (Gafpa) laat vinden, is onovertroffen.

Hoezeer hij in de praktijk aan zijn oorspronkelijke proza frunnikte valt o.m. na te lezen in Woord voor woord (1983), de klassiek geworden variantenstudie van Annemarie Kets-Vree, die alle beschikbare manuscripten (typoscripten) en de verschillende drukken van Een ontgoocheling aan een vergelijkend onderzoek heeft onderworpen. Bovendien is het intussen een idée reçue dat Elsschot zijn teksten op een of andere manier liet uitvlooien op al te Vlaamse wendingen, eerst door Anna Christina van der Tak, zoals Jeroen Brouwers in een zwierig geschreven bijdrage heeft aangedragen (34) en vanaf Kaas vooral door Jan Greshoff, althans tot die in 1940 naar Zuid-Afrika verscheepte. Diezelfde Greshoff getuigt trouwens dat Elsschot zijn teksten voorlas aan een uitgelezen kring vertrouwelingen, waarbij "nog lang wordt nagepraat over een enkel woord of een zinswending (...) omdat geen moeite Elsschot te veel is als het om de strikte, zuivere uitdrukking te doen is" (35).

Hiermee zou wellicht het belangrijkste gezegd zijn, ware het niet dat zowel Elsschot als de Reynaert van een gelijksoortig psychologisch raffinement blijk geven dat niet onopgemerkt kan blijven. Zo lijkt me de manier waarop Reynaert zijn toekomstige slachtoffers (Bruun, Tibeert, Nobel) weet te lijmen, het bijna perfecte spiegelbeeld van de manier waarop Boorman zijn slachtoffers (Korthals, Lauwereyssen) aan zich weet te verplichten. Om de bespreking niet nodeloos te bezwaren, stel ik voor de verleidingsstrategie van Reynaert ten aanzien van Bruun kort te plaatsen naast die van Boorman ten aanzien van Korthals in Lijmen. Het is opvallend hoe de beide personages die de verleiding of daarbij horende vernedering manipuleren, een behendig spel spelen waarin het register (36) voortdurend verschuift op basis van de al verkregen ‘voorsprong’. Uiteraard speelt het verschil in sociaal statuut bij die registerverschuivingen niet onaardig mee. Om het de lezer iets makkelijker te maken zijn de betreffende Reynaertverzen (editie Muller, p. 132-136, vs. 520-611) en Lijmenpassage (Verzameld Werk, 1960, p. 276-279) hierna als bijlage afgedrukt.

In de gebalde en plastische aanmaning aan Reynaerts adres slaat Bruun meteen een dreigende toon aan. Het perspectief van galg en rad kan Reynaert bezwaarlijk bekoren. Bovendien spreekt hij in het eerste vers tot Reynaert als tot een lagergeplaatste, wellicht om van bij de aanvang Reynaerts weerstand te breken. Bruun brult: "Sidi in huus, Reinaert? / Ic bem Bruun, des conincx bode" (vs. 522-523). De vertrouwelijke tweede persoon enkelvoud en de bitse aanspreking ‘Reinaert’ plaatsen de vos meteen waar hij thuishoort: in de ‘lage’ wereld van de onhoofsen. Maar dat is natuurlijk zonder Reynaert zelf gerekend. Na lang nadenken (v. 545) reageert hij met een dankbetuiging aan Bruuns adres, waarbij hij hem met zijn adellijke functie aanspreekt: "Heere Bruun, wel soete vrient". Aldus begint Reynaert zijn antwoord. Zonder overgang wijst hij op de onfortuinlijke situatie waarin Bruun zich bevindt. Bruun noemt hij het slachtoffer van slechte raadslieden, en bovendien: "ic soude te hove sijn ghegaen / al haddet ghi mi niet gheraden" (vs. 553-553). Tegenover zoveel welwillendheid moet Bruun zich beslist weerloos voelen. En daar rekent Reynaert ook op.

De volgende stap van zijn strategie geeft dan ook blijk van grote omzichtigheid. Reynaert wijst op zijn ongemak als gevolg van "eere vremder, nieuwer spisen" (v. 556). Als Bruun hem op de man af vraagt over welke spijs het gaat, hanteert Reynaert behoedzaam hetzelfde formele register van bij de aanvang. Erg onderdanig klinkt: "Heere Brune? Ic at cranke have. / Arem man, dannes gheen grave" (vs. 561-562). De vos schurkt zich schijnbaar in zijn status van onderhorige, hij blijft Bruun als baron aanspreken, terwijl hij hem indirect als een graaf vleit en zichzelf een ‘laag’ profiel aanmeet. Het zelfbeklag neemt in de volgende verzen aardige proporties aan. Reynaert hoopt nu eenmaal op een irrationele reactie van adelborst Bruun. En die komt er ook. Bruun vraagt Reynaert naar de honinglekkernij. Daarbij verliest de beer zijn sociale meerderwaardigheid uit het oog en neemt hij de aanvankelijke aanspreking van Reynaert over. "Edele reinaert, soete neve" (v. 579) klinkt dan ook als een ironische echo van Reynaerts eerdere "Here Buun, wel soete vrient". Zoals Reynaerts ogenblikkelijke repliek ("Ghewinnen, Brune?", v. 583) een doublure lijkt van Bruuns eerdere "Sidi in huus, Reinaert?". Op het moment dat hij zich psychologisch sterker waant dan zijn belager, geeft hij onverwijld het formele register op en parodieert hij als het ware dat van Bruun. De sociale rollen zijn dan ook finaal omgekeerd.

Bruun is alleen nog belust op persoonlijk gewin en biedt Reynaert zijn hulde aan in niet mis te verstane feodale termen: "Bi uwer trauwen, laet mi weten /.../ Waendic u hulde daer mede verdienen" (vs. 587 en 592). Voor Reynaert kan het nu nog nauwelijks fout lopen. Het huldebetoon van baron Bruun maakt van hen beiden voor de gelegenheid gelijken van stand, in adellijke zin wel te verstaan. En dat laat Reynaert ook blijken wanneer hij Bruun vraagt zijn pleitbezorger te zijn aan het hof. Op een gewichtig moment als dit neemt hij weer afstand en keert hij, welbewust, terug naar het formele register van daarvoor. En dus heet het: "Heere Brune, wildi mi wesen hout" (v. 604). Pas nadat Bruun hem van zijn voorspraak heeft verzekerd, verschijnt hij voor Bruun en neemt hij hem op sleeptouw richting "Lamfreits binnen den tune" (v. 644). Hiermee is het formele verleidingswerk in de strikte zin voor Reynaert afgelopen.

Zoals gezegd presteert Boorman iets gelijkaardigs wanneer hij Korthals in diens eigen huis gaat strikken, om zich te revancheren vanwege het hem eerder aangedane bedrog. Zodra hij en Laarmans (alias de Mattos) bij de begrafenisondernemer zijn binnengelaten, gaan ze zitten, in afwachting van Korthals’ verschijning. In feite wordt daarmee een woordloze voorzet gegeven die het aanstaande register aankondigt. Boorman wil namelijk van meet af aan het roer in handen nemen. Hij opent dan ook de dialoog en niet Korthals (wat toch voor de hand zou liggen). Na die opening stelt Boorman zich op een hele formele manier voor. Althans, hij licht zijn functie en het doel van zijn komst omstandig toe. De verwoording is over de hele lijn schijnbaar afstandelijk en neutraal, en wat dat betreft vergelijkbaar met Reynaerts taalgedrag in de eerste fase van de hiervoor beschreven verleiding. Maar de gestrekte (en duidelijk ingestudeerde) boodschap van Boorman bevat ten minste drie valkuilen voor Korthals. Zo nodigt Boorman hem uit te gaan zitten in zijn eigen huis: "Doch gaat u zitten". Opnieuw een kwestie van toonzetting. Daarbij sluit hij zijn voorstelling af met een suggestieve vraag die zowel vleiend als vertrouwenwekkend moet overkomen voor Korthals: "En ik geloof wel dat ik voor betrouwbare inlichtingen... aan ‘t goede adres ben ...?". Bovendien noemt hij, ondanks zijn omstandige introductie, zijn eigen naam niet.

Boormans berekende aanhef heeft het gewenste effect, want de neergezeten Korthals is aan de nodige verwarring toe, zoals uit zijn houding en zijn antwoord blijkt. Korthals’ repliek is aanvankelijk even formeel ("Mijnheer, ik keur uw initiatief volkomen goed..."), maar neemt al snel een bocht. Korthals’ betoog wordt daarbij defensief van inslag: hij wijst namelijk de beunhazen af en prijst gelijkelijk de vaklui de hoogte in (zoals Boorman en hijzelf er zijn). Gaandeweg wordt zijn pleitrede minder formeel omdat hij het register van de reclamejongens overneemt. Hij heeft het over "kale uitvaarten", "de socialen", iets "velen", iets "inpikken". Hij lijkt voluit te spreken als een brochure. Elsschot kan het echter niet laten de bevlogen kletstoon van Korthals te contrasteren met een banale en dus ironische gebeurtenis (overkokende melk), waardoor Korthals van zijn professionele troon gehaald wordt. Dat hij overigens vooral zijn eigen publiciteit wil verzorgen, wordt onderstreept door het feit dat hij, na het keukenintermezzo, letterlijk een brochure ("een circulaire") te voorschijn haalt, en over de bijzondere diensten van zijn bedrijf orakelt op een toon die iets samenzweerderigs krijgt. "Onze lieve doden" zijn die van Boorman én Korthals.

De schijnbare familiariteit van dat alles ontgaat Boorman allerminst. Voor Boorman is zulks de gedroomde aanleiding om over te schakelen op een informeel register, al kan hij niet aan de verleiding weerstaan Korthals’ eerdere openingszin letterlijk te imiteren. Die zin keert als een echo naar Korthals terug, ongeveer zoals Reynaert de echo van Bruuns openingszin naar zijn belager terugstuurt (cf. supra). Hiermee is Boormans aanval in regel ingezet. Hij wil namelijk niets minder dan de al gezeten Korthals op de knieën dwingen en plaatst dan ook tegenover Korthals’ defensieve register dat van de offensiviteit. Hij verplettert zijn opponent door tegen hem over hemzelf te spreken op een onbepaalde en naamloze manier. Zo heeft hij het over "een schraapzuchtige kerel", "een firma", "die vent". Erg dreigend allemaal, want de niet nader genoemde is Korthals zelf. En die heeft begrepen, en gaat dan ook letterlijk onderuit. Voor een tweede keer nodigt Boorman Korthals uit te gaan zitten.

Op het ogenblik dat Korthals capituleert, keert Boorman net lang genoeg naar een erg formeel gedrag terug. Hij kiest voldoende lang voor het register van de stilte, wellicht om Korthals’ zwakheid en zijn eigen superioriteit te onderstrepen, zoals Reynaert na Bruuns dreigement er eveneens lang het zwijgen toe doet ("Menichfout was sijn ghedochte", v. 540). Zwijgen kan tenslotte niet verbeterd worden. Als de handtekening is gezet, neemt Boorman op een hoogst afstandelijke manier van hem afscheid. Pas dan noemt hij ook zijn eigen naam. Een situatie die alweer parallel loopt met Reynaerts formele vraag naar Bruuns bescherming voor hem aan het hof. Het verschil is wél dat Korthals zich van zijn nederlaag pijnlijk bewust is, terwijl Bruuns pijn nog moet komen. Het afsluitende "tot genoegen" klinkt Korthals wellicht schrijnend in de oren. En zo is het ook bedoeld.

Zoals uit het voorgaande hopelijk blijkt, laten een aantal gelijkenissen zich vrij aardig inschalen. Beide passages vertonen vergelijkbare, keurig getimede registerwissels, goed berekende psychologische effecten, persiflerende herhalingen, en een strategische stap-voor-stap-aanpak.Tegelijk vallen ook wezenlijke verschillen op. De wraakactie van Boorman is voornamelijk gebaseerd op chantage. En dat geldt ook voor het latere vergeldingsgedrag van mevrouw Lauwereyssen, voor mevrouw Brulot en mevrouw De Keizer, die haar echtgenoot, jammer genoeg voor hem, op welgeteld één bordeelbezoek heeft betrapt. In de Reynaert daarentegen is het de vos telkens weer te doen om een hoogst talige stategie, met als enige hoogst ontalige doel zijn slachtoffers zoveel mogelijk fysieke schade toe te (laten) brengen. Reynaert verlokt, verleidt, bindt zijn tegenstrevers de dood aan. Het discours van Reynaert is dat van de volstrekte amoraliteit. Het discours van Elsschots werk heeft alles van doen met een positiebepaling ten opzichte van de gemiddelde burgermoraal. Terecht merkt Vic van de Reijt op dat het "schuldgevoel" van meet af aan in Elsschots werk aantreedt en "daaruit nooit meer verdwenen is" (37). Maar dat verschil in tonaliteit kan niet verhinderen dat beide Willems verwante geesten zijn, die elkaar, ondanks een afstand van eeuwen, recht in de ogen kunnen kijken. Ze zijn tenslotte allebei even onsterfelijk, want net als Reynaert, "loopt (Boorman) nog steeds en zal (hij) pas rust vinden in de dood" (Het been, p. 410).

 

Noten

  1. Vgl. Jean Surmont, Willem Elsschot.Tussen droom en daad, Baarn, Tirion, 1994, p. 225. Volgens de aldaar geciteerde Walter De Ridder was Elsschot doorgaans heel mild en is de veroordeling van Claus’ debuut veeleer een uitzondering.
  2. Willem Elsschot, Brieven, Verzameld en toegelicht door Vic van de Reijt met medewerking van Lidewijde Paris, Amsterdam, Querido, 1993, p. 768.
  3. Over Elsschots literaire voorkeuren, zie Frans Smits, Willem Elsschot. Zijn leven / zijn werk en zijn betekenis als prozaschrijver en dichter, H&S Publishers, Utrecht, 1976 (ongewijzigde herdruk van de tweede druk, 1952), p. 16-17. (Aan Jan Greshoff bekent hij in 1933 : "Je moet weten dat ik bijna nooit lees". Zie Willem Elsschot, Brieven, p. 107.)
  4. Albert Westerlinck, Over Willem Elsschot, de schrijver, en Alfons De Ridder, mijn vriend, in Alleen en van geen mens gestoord. Verzamelde opstellen, 2de reeks, Leuven, Davidsfonds, 1964, p. 195.
  5. Ida De Ridder, Willem Elsschot, mijn vader, Amsterdam, Nijgh & Van Ditmar, 1994, p. 89.
  6. Willem Elsschot, Brieven, nr. 379, p. 369-370.
  7. Elsschot was in het bezit van de tweede druk van de Mullereditie. Ik heb zijn verwijzingen nagetrokken op basis van de derde druk, die dezelfde kanttekeningen bevat. Wie Mullers verklaring in extenso wil nalezen, zie Van den vos Reinaerde, Critisch uitgegeven door prof. Dr. J.W. Muller, Leiden, E.J. Brill, 1944, p. 108.
  8. Zie daarover Frans Smits, a.w., p. 129 en Jean Surmont, a.w., p. 145.
  9. Willem Elsschot, Brieven, p. 1011.
  10. Zie Als een onweder bij zomerdag. De briefwisseling tussen Louis Paul Boon en Willem Elsschot. Bezorgd door Jos Muyres en Vic van de Reijt, Amsterdam, Querido, 1989, p. 58 en Willem Elsschot, Brieven, p. 632.
  11. Herman Heyse & Rik van Daele, De Reynaertbronnen van Louis Paul Boon. Een bijdrage tot de studie van de genese van Wapenbroeders, in: De kantieke schoolmeester, 1992, 1/2, p. 335. Zie ook Rik van Daele, Louis Paul Boon en Reynaert de vos: wapenbroeders. Over Boons bronnen en poëtica, in: Tiecelijn, 1999/2, p. 54-55.
  12. Martinus Nijhoff, Reinaard de ridder of Elsschot de vos, in: De veelkantige criticus, Vlaamsche pockets, s.d., p. 120.
  13. Willem Elsschot, Brieven, p. 822.
  14. Albert Westerlinck, a.w., p. 185-186.
  15. Zie daarover Rik van Daele, Van den vos Reynaerde. De vos die je ziet ben je zelf, in: (red.) Dirk de Geest en Marc van Vaeck, Brekende spiegels. Beeldveranderingen in de Nederlandse literatuur, Leuven, Peeters, 1992, p. 19-41.
  16. Jan Greshoff, Onofficiële letterkunde. Willem Elsschot, in: Uitnodiging tot ergernis. Keuze uit eigen werk, Den Haag, Bert Bakker/Daamen, 1957, vooral p. 115-116.
  17. Menno ter Braak, De persoonlijkheid van Willem Elsschot, in: Willem Elsschot, Kaas. Met een recensie van M. ter Braak, Amsterdam, Querido, 1998, p. 109 e.v.
  18. Frans Buyens, Willem Elsschot, een burgerlijk geweten, ‘s-Gravenhage, BZZTôH, 1978, p. 44 e.v.
  19. Garmt Stuiveling, Reinaert redivivus, in: Uren zuid. Drie dozijn ontmoetingen over de grens, Hasselt, Heideland, 1960, p. 40 (eerste citaat) en p. 44 (tweede citaat).
  20. Jean Surmont, a.w., p. 76 e.v.
  21. Dina Van Berlaer-Hellemans, De poëzie van Richard Minne in het licht van de ironie, Hasselt, Heideland-Orbis, 1975, p. 83 e.v. (Zie ook: Ton Anbeek, Reve en de romantische ironie, in: Het donkere hart. Romantische obsessies in de moderne Nederlandstalige literatuur, Amsterdam, Amsterdam University Press, 1996, p. 112-116.
  22. Yves T’Sjoen, Nuchtere dronkaards. Over Richard Minne en Willem Elsschot, in: Ons Erfdeel, 1993/3, p. 385.
  23. Guido Lauwaert, Villa Elsschot. Omtrent Kaas en andere onthullingen rond Willem Elsschot en zijn werk, Guido Lauwaert & Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 1991, p. 63. Zie ook brief 1105 in: Willem Elsschot, Brieven, p. 942-943.
  24. Alle Elsschotcitaten zijn afkomstig uit Verzameld Werk, Amsterdam, Van Kampen en Zoon, 1960, 4de druk. Voor het citaat uit Het been, zie p. 404.
  25. Zie daarover Rik van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den vos Reynaerde, Gent, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 1994, p. 446 e.v.
  26. Alle Reynaertcitaten zijn afkomstig uit de editie van Muller, Van den vos Reinaerde, derde druk, Leiden, 1944 (op details na de Reynaerttekst die Elsschot vanaf 1939 heeft gelezen). Voor het lekenbiechtcitaat, zie p. 166, vs. 1657-1659.
  27. Zie Koen Raes, Over cynisme en culturen die cynisch maken, in: Kultuurleven, 1999/1, p. 55 (ook voor de andere citaten).
  28. Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1992, 2de druk, p. 195.
  29. Yvan De Maesschalck, Willem, een proto-feminist?, in: (red.) Rik van Daele, Marcel Ryssen, Erwin Verzandvoort, Reynaert bloemleest Tiecelijn, Sint-Niklaas, vzw Tiecelijn-Reynaert, 1993, p. 94-102.
  30. Zie daarover Rik van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den vos Reynaerde, p. 471- 477.
  31. Michel Onfray, Cynismen. Portret van de hondse filosoof, Baarn, Ambo, 1992, p. 76-77. (Cynismes, de oorspronkelijke Franse versie verscheen bij Editions Grasset & Fasquelle in 1990.)
  32. Willem Elsschot, Brieven, p. 944.
  33. Over het stilistische meesterschap van Elsschot zie o.m. Johan Anthierens, Muggendans rond een monument, in: Willem Elsschot. Het ridderspoor, Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1992, p. 99-110 en Jeroen Brouwers, Uren bij het theelicht. De Elsschotkunde van Karel van het Reve, in: Vlaamse leeuwen, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1994, p. 249 e.v.
  34. Jeroen Brouwers, De muze met het rode potlood. Over Anna Christina van der Tak, in: Vlaamse leeuwen, p. 265-272. (Elsschot droeg zijn debuut Villa des Roses, aan haar op.)
  35. Greshoffs getuigenis wordt geciteerd door Annemarie Kets-Vree in: Woord voor woord. Theorie en praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd aan Een ontgoocheling van Willem Elsschot, Utrecht, H&S, 1983, p. 54-55.
  36. Voor een definitie van het aan J.R. Firth ontleende begrip register, zie: Willy Smedts en William van Belle, Taalboek Nederlands, Pelckmans, Kapellen, 1996, p. 334 en Norbert Dittmar, Handboek van de sociolinguïstiek, Utrecht/Antwerpen, Het Spectrum, 1978, p. 143.
  37. Vic van de Reijt, Fragmenten over Willem Elsschot, in: Uren met Karel van het Reve. Liber Amicorum, Amsterdam, Van Oorschot, 1991, p. 152.

juni-juli 1999