|
Erik Rinckhout. Intro n.a.v. de persvoorstelling van "Willem Elsschot en de piano" van Ida De Ridder.
Dames en heren,
De biograaf van Alfons De Ridder en Willem Elsschot wacht een zware taak. Ik ben er mij van bewust dat ik eigenlijk niets nieuws vertel, maar bij het voorbereiden van deze inleiding viel het mij weer op hoe moeilijk het is om correcte informatie te vinden over De Ridder-Elsschot.
Alfons De Ridder, die hier als het ware om de hoek is geboren, was gedurende enkele jaren leerling van deze school, het Koninklijk Atheneum van Antwerpen. Hij maakte zijn studies niet af š ik kom daar straks op terug.
Maar wanneer precies was hij leerling van deze school? Al naar gelang van de bron situeert men het begin van zijn schoolperiode in 1893 of 1894 en werd
hij van school gestuurd in 1898 of 1899. Volgens het jaarboek van het Koninklijk Atheneum zou hij hier van 1893 tot 1899 hebben verbleven. Die zes jaar had hij nodig om van de 7de Latijnse tot in de Vierde te geraken - de ouderen onder ons weten dat er toen werd afgeteld. Fons De Ridder deed er zolang over omdat hij twee keer moest blijven zitten. Maar uit een van zijn latere brieven valt dan weer op te maken dat hij van deze school werd weggestuurd rond Nieuwjaar 1898, en dus niet in 1899. Dat wegsturen gebeurde "wegens baldadig gedrag"
Ook daarop kom ik zo dadelijk terug.
Trouwens volgens de ene bron werd hij door zijn medeleerlingen "Fonne van den bakker" genoemd, volgens de andere "Fonske van den bakker". Het is een detail, maar zelfs daarin verschillen de bronnen van mening.
In dit Atheneum dus moest Alfons De Ridder zowel in zijn eerste als in zijn tweede studiejaar blijven zitten. Daarna verhuisde hij van de Grieks-Latijnse afdeling naar de 'Professionelle', de beroepsafdeling. "Doch hier ging het al niet beter," verzucht zijn biograaf en neef Frans Smits. Of het baldadig gedrag van Fons wat te maken had met de toenmalige taaltoestanden, zoals een van de commentatoren insinueert? Ook dat mag de toekomstige biograaf uitzoeken. In de novelle 'Een ontgoocheling' ondergaat Kareltje De Keizer een les Latijn die in het voor hem ondoorgrondelijke Frans wordt onderwezen. Kareltje moest trouwens maar liefst drie keer blijven zitten in het eerste studiejaar.
Fons De Ridder was naar verluidt alleen geïnteresseerd in de lessen turnen en Nederlands. Over zijn "baldadig gedrag" schreef zijn jeugdvriend en schoolmakker Ary Delen veel later, in 1957: "Fonne van de bakker was een door alle professors zeer gevreesde belhamel. Geen kon als hij de klas
overhoop zetten door het uithalen van allerlei ontzettend kattekwaad. Hij werd dan ook overal buitengesmeten, behalve op de les in het Nederlands - bij Pol de Mont - en op de turnles. De boef was op het punt van school weggejaagd te worden. Maar ik vermoed dat De Mont, die toen al wat in hem
zag, hem gered heeft."
Maar voordat Alfons in aanraking kwam met Pol de Mont was er een andere leraar Nederlands in dit Atheneum, die een belangrijke invloed op hem
uitoefende. Meer dan vijftig jaar later, in 1948, schreef De Ridder in een brief lovende woorden over deze leraar, een zekere Engelbert de Chatelleux,
afkomstig uit Maastricht. Die sprak Hoognederlands, wat op Fons veel indruk maakte (over De Mont schrijft hij in diezelfde brief dat die wel "op de letter" sprak, maar dat was nog altijd Vlaams); De Chatelleux had veel sympathie voor Alfons de Ridder, en dat was blijkbaar wederzijds. "Hij deed mij voorlezen, declameren en gaf mij allerlei dergelijke kleine blijken van genegenheid. Hij hield mij ook de hand boven het hoofd (...)"
Toch moest Fons bijna weer eens overzitten, maar hij werd "na een knieval van de hele familie De Ridder (...) toegelaten tot de vierde. Na drie maanden gesukkel werd hij dan toch voor goed van de school gestuurd."
"In die hele sombere Atheneumperiode was er slechts één lichtstraal: Pol de Mont, de Vlaamse dichter en leraar die voor hem een ware vriend geweest is."
Een halve eeuw later, op zijn 65ste, haalt Elsschot in een brief aan zijn jeugdvriend Ary Delen herinneringen op aan Pol de Mont: hij heeft het over
"den gloeienden blik en het vlammend woord van Pol de Mont" en het feit dat ze door De Mont "tot flaminganten (...) hersmeed" werden.
Pol de Mont bracht zijn leerlingen in contact met de toentertijd nieuwste generatie schrijvers. Geen 'Drie zustersteden' moesten de leerlingen uit het hoofd leren, geen 'De overwintering op Nova Zembla', maar 'Mei' van Gorter en 'De zee' van Willem Kloos. De Mont las voor uit 'De kleine Johannes' van Frederik van Eeden. En blijkbaar deed hij dat met een indrukwekkende, begeesterende stem.
Tijdens de uren dat Alfons de Ridder sommige lessen niet mocht bijwonen, schreef hij hele dichtbundels over: van Kloos, Verwey, Gorter en Hélène Swarth. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de eerste gedichten van Willem Elsschot zwaar beïnvloed waren door - uitgerekend - de Tachtigers.
De invloed van de gepassioneerde Pol de Mont ging zover dat de leerlingen een literaire kring stichten, 'Flandria': ze legden wat van hun spaargeld bij elkaar en kochten wekelijks Nederlandstalige boeken. De 'Brieven'-editie opent trouwens met een epistel van de toen 16-jarige Alfons aan Ary Delen waarin hij "met dolle vreugd" heeft vernomen dat zo'n boekenclub wordt gesticht. Hij meldt voorts: "Reeds jaren lang lees ik uitsluitelijk Nederlandsch." En: "Niet één mijner makkers weet hoe vurig ik mijne taal bemin, ik heb het altoos en voor allen verzwegen."
De Mont heeft door zijn bezielde manier van lesgeven blijkbaar een hele generatie beïnvloed. In 1900 besloten enkele van zijn oud-leerlingen, onder wie ook Alfons De Ridder, een literair blad op te richten: 'De Alvoorder'.
Het zou de enige literaire beweging zijn waar Elsschot ooit deel van uitmaakte.
De contacten met Pol de Mont bleven ook bestaan. In 1913 schreef de leraar aan zijn oud-leerling een dankbriefje, vermoedelijk voor het toesturen van
het net gepubliceerde 'Villa des Roses'. Daarin zegt De Mont: "Had ik nu gelijk of niet, wanneer ik u, toen gij daar in de 4de daar voor mij zaat, al vol overtuiging zeide, dat uit u, Fons, een woordkunstenaar zou groeien?" en "Fier ben ik niet weinig dat ik... een heel klein beetje tot het 'wekken' (ik zeg niet 'ontwikkelen', zo verwaand ben ik niet) van uw kosteliken zang mocht bijdragen, in illo tempore, (...) toen ik noch leraartje speelde."
Elsschot zal later trouwens zijn novelle 'Een ontgoocheling' aan Pol de Mont opdragen. Die verscheen eerst in het tijdschrift 'Groot Nederland', in
augustus 1914. Sommige bronnen gewagen van een voorpublikatie in 'De Vlaamse Gids'. U ziet het, de biograaf zal het niet makkelijk hebben.
Daarom is het ook van groot belang dat Ida De Ridder met haar vorige boek 'Willem Elsschot, mijn vader' en met haar jongste boek 'Willem Elsschot en
de piano', bouwstenen aanreikt voor de nog te schrijven biografie van haar vader. Het gaat hier om informatie uit de eerste hand.
Bovendien is het boekje 'Willem Elsschot en de piano' behoorlijk Elsschotiaans van inslag: zoals de schrijfster zelf terecht opmerkt vertoont de queeste naar de door de Duitse bezetter geconfisqueerde piano opvallende gelijkenissen met 'Het dwaallicht'.
Persoonlijk werd ik ook ontroerd door de sober maar doeltreffend beschreven dwaaltocht van Ida De Ridder en Rudi Lek, die, beiden over de tachtig, samen op zoek gaan naar het graf van Elsschot en het, terwijl de duisternis invalt, maar niet kunnen vinden. Uiteindelijk kan Rudi Lek dan toch een bos
rode rozen op het graf van Elsschot neerleggen - uit dank en als postume hulde.
Maar Elsschot was bijna zelf een dwaallicht geworden.
Dames en heren,
ik vermoed dat Alfons De Ridder deze geschiedenis monkelend aanhoord zou hebben.
|