Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

In gesprek met Willem Elsschot

 
Zoek

 

Vic van de Reijt. `In gesprek met Willem Elsschot'. In: Horus (1992), afl. 24 (december), p. 14-16.

 

(Antwerpen 1959) Locatie: Café Rubenshof, Groenplaats 9

 

`Mijnheer Elsschot…'
`Die mijnheer is hier niet.'
`Eh, Willem…'
`Ik heb een zoon die Willem heet. Een knappe jongen die schone verzen geschreven heeft en die nu stadsdokter is hier in Antwerpen.'
`…'
`Mijn naam is Alfons De Ridder. Fons voor mijn vrienden. Gij moogt mij Mijnheer De Ridder noemen.'
`Mijnheer De Ridder, waarom stond u erop om mij in dit café Rubenshof te woord te staan? Wat is er dan toch voor bijzonders aan?'
`Alles, brave man, alles. Tenminste voor wie oog en oor wijd open houdt. De stamtafel met de buste van Napoleon, tronend boven op de gevulde tabakspot - waaruit nieuwelingen niet durven snoepen, want zij kunnen zich niet voorstellen dat zo iets "mag" zonder te betalen. Dan de eenvoudige lieden die er hun boterhammen komen verwerken en die dadelijk, ongevraagd, van bord, mes en vork worden voorzien om die operatie gratis een zeker decorum bij te zetten. Dan de merkwaardige kellners die welgezind en dienstvaardig blijven. Of je ze nu een zware fooi of in 't geheel niets geeft, dat schijnen zij niet eens te merken. Dan is daar die moeder met de twee snoezige knapen die gelaarsd en gespoord de lederen banken bestormen, erop klimmen om op de kussens hun traditionele apachendans ten beste te geven onder het applaus van baas, kellners en klanten. Brave man, als dat niet voldoende is om het Rubenshof te bestempelen als een unicum in onze goede Scheldestad, neem mij niet kwalijk, maar dan doet gij er goed aan naar Amerika te emigreren.'
`Mijnheer De Ridder, kunt u in het kort uw levensloop schetsen?'
`Mijn vader was van Ekeren, in de polder bij Antwerpen, waar zijn vader geloof ik café hield. Hijzelf was bakkersgast, later bakker in Antwerpen. En hij is dat gebleven tot hij genoeg klutten had om stil te gaan leven. Mijn moeder was van Tongerloo, bij Westerloo in de Kempen. Zij was wees vanaf haar zevende jaar, geloof ik. Toen zij een jaar of tien was, is zij gaan dienen, eerst in Westerloo, later in Brussel, waar ze zich dan heeft laten bepraten door die stevige polderjongen. Resultaat: een bakkerij op De Keyserlei en negen kinderen, waaronder uw dienaar. Ik heb de Antwerpse gemeenteschool gevolgd (Vlaams onderwijs) en daarna het Atheneum (Frans onderwijs) en nog wel Grieks-Latijns. Gevolg: twee jaar in de laagste klas gezeten (de 7e) en twee jaar in de tweede klas (de 6e). Dan verhuisd van de Grieks-Latijnse naar de "Professionelle". Bijna nogmaals twee jaar in de vijfde, maar na knieval van de hele familie De Ridder werd ik toegelaten tot de vierde. Na drie maanden gesukkel voorgoed van de school weggezonden wegens wangedrag.'
`U gooide een baksteen door het open venster?'
`Bijna correct: dat liet ik doen.'
(`Marcel! Un stout un! En een blond bier voor dezen Ollander.')
`In die hele sombere Atheneumperiode was slechts één lichtstraal: Pol de Mont, de Vlaamse dichter, die voor mij een ware vriend geweest is, en die me het heilig vuur van het Flamingantisme heeft ingeblazen. Op 17-jarige ouderdom begon ik verzen te schrijven, genre Willem Kloos. Na het verlaten van het Atheneum heb ik een paar kantoren bezocht, en daarna een paar jaar ledig gelopen - zie Een Ontgoocheling, dat een levensverhaal is. Toen ik negentien was, werd ik op aanraden van mijn broer Karel naar het Hoger Handelsinstituut gezonden…'
`U had een jong meisje zwanger gemaakt.'
`Dat blond bier maakt u loslippig, beste vriend…
(Peinst.)
'k Heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen
aan al de passies van een menschenleven;
ik heb den beker huilend hoog geheven
en aangegaapt met lippen gulzig open
Negen maanden en daarna nog eens zeven lange jaren heb ik mijn Fine met dat jong laten zitten; dat is niet iets om fier op te zijn. Maar het lediglopen was voorbij: en een recordtijd studeerde ik af aan de Handelsschool en verwierf met de hoogste lof de titel Licencié du Degré supérieur en Sciences Commerciales et Consulaires. Na die school ging ik naar Parijs, als secretaris van een ingenieur van de Argentijnse regering. Ik leefde daar in de Villa des Roses. Zie dat boek. Toen de ingenieur genoeg van mij had (ik had reeds van de eerste dag genoeg van hèm) ben ik naar Schiedam verhuisd, bij de Scheepstimmerwerf NV. Gusto, waar ik vier jaar als chef-correspondent heb gewerkt.'
`U bent daar ontslagen.'
`Ik klom met het werkvolk in de scheepsmasten. (Grinnikt.) Dat werkvolk klom nu eenmaal in de scheepsmasten, die werden daar heus niet om ontslagen, maar een chef-correspondent… Het risico dat er met zo iemand een ongeluk zou gebeuren was te groot. Werkvolk is gemakkelijk te vervangen, maar een chef-correspondent… Enfin, ik kreeg nog drie maanden om mijn opvolger in te werken, mijn latere compagnon Lodewijk de Haas.
Mijn Rotterdamse jaren waren de mooiste van mijn leven. Ik liet Fine, met wie ik inmiddels getrouwd was, en onze zoon overkomen en kocht er regelmatig een kindje bij - het zijn er zes nu. Verder leerde ik er juffrouw Van der Tak kennen, die altijd zo moest lachen om mijn verhalen uit de Villa des Roses en voor wie ik ze heb opgeschreven. En in Rotterdam schreef ik mijn mooiste verzen: de moedergedichten, de Baggeraar, het Huwelijk, dat nu eens níet autobiografisch is.'
`Uw andere werk wel?'
`Mijnheer, ik heb eigenlijk nooit iets anders gedaan dan een dagboek bijhouden. Ik heb daarin getracht mijn eigen gevoelens zo scherp en duidelijk mogelijk naar voren te brengen. Ik geloof niet dat dat mij in dezelfde mate gelukt was wanneer ik uit mijn verbeelding had geschreven.'
`De roman Lijmen?'
`Allemaal waar gebeurd, alleen met dit verschil dat ik niet in dienst bij Boorman ben geweest. Hij was mijn compagnon nadat ik uit Rotterdam in de heimat was teruggekeerd. Het Wereldtijdschrift werd in Gent gedrukt en in Brussel uitgegeven. Eerst onder de naam La Revue Générale Illustrée en, na mijn intrede als hoofdredacteur, met de kop La Revue Continentale Illustrée. Toen brak de oorlog uit en die maakte aan onze revue een einde. Van Brussel naar Antwerpen gevlucht, onder moeders rokken. Gedurende de oorlog in dienst geweest van het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding. Zie Pensioen en dat mens en haar gesol met die voedselpakketten. Allemaal familie, zij het aangetrouwd. En god-zij-dank allemaal analfabeten.'
(`Marcel! Un stout un! En een pel-elleke voor dien Ollander!')
`Na de oorlog heb ik mij geassocieerd, met een associé natuurlijk, in het publiciteitsvak. Een reclamebureau gesticht, La propagande Commerciale Leclerq et De Ridder, waarbij mijn oude vriend Lo de Haas zich heeft aangesloten. Een paar huizen hier vandaan hielden wij kantoor. Groenplaats 1. Of beter Place Verte, want de zaken gingen in het Frans. In 1931 heb ik die Associatie vaarwel gezegd en sedertdien loop ik op eigen benen, nog steeds in datzelfde vak.'
`Twee jaar later schreef u uw lievelingsboek Kaas.'
`In de recordtijd van veertien dagen. Daartoe opgezweept door mijn voormalige vriend, de Nederlandse dichter Jan Greshoff.'
`Waarom is Kaas uw lievelingsboek?'
`Het is de beschrijving van de beste jaren van mijn leven toen ik in Rotterdam werkte. Daarnaast vind ik dit boek - een roman kan ik het niet genoemd worden - mijn meest geslaagde, omdat ik er naar mijn oordeel evenwichtig in heb kunnen uitbeelden: de pijnlijke gemoedstoestand en tragiek van een man die door de omstandigheden gedwongen wordt een vak uit te oefenen dat helemaal in strijd is met zijn karakter, zijn aanleg, zijn temperament. Het is, meer nog dan de andere boeken, een brok uit mijn leven, de uitdrukking van mijn walg tegenover publiciteit en handel. Omdat publiciteit een te abstract onderwerp was om over te schrijven heb ik kaas genomen. Het heeft vorm, kleur, het ruikt en het stinkt soms. Ik had ook vis kunnen nemen.'
`Mijnheer De Ridder, met uw welnemen, ik ben zo vrij om van deze interpretatie niets te geloven. U bent nu zevenenzeventig jaar. Sinds uw zevenentwintigste zit u in het reclamevak. U hebt er een fortuin in gemaakt. Uw huis in de Lemméstraat "komt van de reclame", zo hebt u geschreven. Na elke grote zaak hebt u zich een schilderij of een mooi tapijt aangeschaft: een Kazak of een Karabagh. Uw huis is een Museum van Inlandse en Uitheemse voortbrengselen. Uw vrouw en dochters dreigen krom te groeien van de juwelen. Die walg tegenover publiciteit en handel, dat is allemaal pose. Elk jaar opnieuw schrijft u een mosterdvers voor de weduwe Tierenteyn ter wille van de Snoecks Almanak, waarvoor u de concessionaris bent. Nog dagelijks slentert u door Antwerpen, op zoek naar lijmadressen. U bent geen haar beter dan Charles A. Boorman.'
(`Marcel! Un stout un! En een glas kraanwater voor meneer!')
`…'
`Mijnheer De Ridder, volgens uw jongste dochter, Ida, staan die onverkochte kaasbollen uit uw roman voor de onverkochte exemplaren van uw boeken.'
`Men heeft mij geleerd dat zwijgen niet verbeterd kan worden.'
`De kaasdroom die maar geen werkelijkheid wil worden, was in feite uw eigen literaire carrière die maar niet van de grond kwam en zelfs geheel dreigde te mislukken. Laarmans die zijn twintig ton prachtige Edammer niet verkocht krijgt, moet dus gelezen worden als Elsschot die geen lezers weet te vinden voor zijn geschriften.'
`Wist te vinden, mijn vriend. Sinds de verschijning van het Verzameld werk marcheren de zaken zeer wel. Binnen de twee jaar zijn we al toe aan de vierde druk.'
`Maar in de jaren twintig lag dat anders…'
`Dat heb ik ondervonden toen ik Lijmen had geschreven. Mijn eerste romans, die in Nederlandse tijdschriften verschenen waren, werden ook in Nederland in boekvorm uitgegeven en hebben stilaan hun weg gemaakt. Maar toen ik Lijmen schreef woonde ik niet meer in Holland maar weer in België. En toen Maurits Sabbe-zaliger gedachtenis mij verzocht het te mogen opnemen in De Vlaamsche gids, heb ik dat goed gevonden zonder aan de rampzalige gevolgen te denken. Toen kwam mij namelijk een Antwerpse uitgever Janssens verzoeken het werk in boekvorm te mogen uitgeven, wat dan ook is gebeurd. Het gevolg is geweest dat geen tien exemplaren van Lijmen in Holland zijn doorgedrongen en dat het boek niet de geringste reactie verwekte. Het werd doodgezwegen, zonder enige kwade bedoeling, maar eenvoudig omdat men het in Holland niet gelezen had. En toen heb ik het schrijven maar gelaten.'
`Tot u op die bewuste zaterdag 21 januari 1933 ten huize van uw vriend Ary Delen, Menno ter Braak en Jan Greshoff ontmoette. Greshoff pakte Lijmen uit de boekenkast en stelde hardop vast dat dat ook al weer tien jaar geleden was…'
`Ik zal u een geheim verklappen.'
(`Marcel! Un stout un! Ook een voor meneer hier. En bedien uzelf ook!')
`Ook zonder Greshoff had ik dat boek Kaas natuurlijk ooit geschreven. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf, ten gepasten tijde. En ik was zwanger van dat boek: de dierbare herinneringen aan mijn klerkenbestaan te Rotterdam, het doodsbed van mijn moeder, al die onverkochte exemplaren van Lijmen: het moest er allemaal uit. En Greshoff heeft de keizersnede verricht.'
`Vervolgens werd u door de mannen van Forum als een vent binnengehaald en…'
`Pas op hè. Als een plezante vent, ne simple. Mijn gedicht op Jan Greshoff vonden ze "faciel", Du Perron vond Tsjip "after all" een laag-bij-de-grondsch kletsboek. En de Vlaamse redacteuren die waren nog het ergste, die dachten dat ik een zogeheten blasfemische scène in Tsjip wel zou willen censureren. Maar ik heb wraak genomen!'
`In de derde druk van Kaas…'
`Zwijgt Ollander. Awel, aan de derde druk van Kaas, die verschenen is in 1942, heb ik het hoofdstuk vijftien toegevoegd, waarin de arme Laarmans tegen zijn zin verkozen wordt als plaatsvervangend voorzitter van de Vakbond van Belgische Kaashandelaren. Met vier andere Kaasmensen moet hij op het ministerie gaan protesteren tegen verhoging van de invoerrechten. En dan beschrijf ik die Kaasboeren: "Daar zat Hellemans, een man op jaren, vergrijsd in de kaas; Bruaene, een zwaarlijvige kerel, blakend van gezondheid en met een dikke gouden ketting op de buik; Dupierreux, een klein zenuwachtig heertje dat zich moeilijk kon beheersen en eindelijk die man uit Gent met zijn puistige handen, naar voren hangend, de ellebogen op de knieën als om geen syllabe te missen."'
`Hellemans is Herreman natuurlijk…'
`Jazeker. En die gouden ketting is Marnix Gijsen, dat zenuwachtige mannetje Walschap. En die puistige handen behoren Maurice Roelants toe.'
(`Marcel! Un stout un! Voor die sympathieken Ollender ier. Misschien magt-em straks dan Alfons tegen me zeggen. En voor ons een Veuve Cliquot. Ik wil die weef wat laten verdienen!')