|
Marco
Daane. 'Schoon antwoord van Elsschot'. In: De Parelduiker (1997),
afl. 5 (december), p. 70-72.
Een heruitgegeven interview door Hilda Ide.
De kuil met Elsschot-interviews die Vic van de Reyt in 1983 uitgroef
(zie De Parelduiker 2, 1997, 1, maart, p. 69-81), is nog niet leeg.
Een curiosum is het gesprek dat Hilda Ide in 1949 met de Antwerpse
schrijver had voor Inter Nos. Maandblad voor athenaeumstudentinnen.
Het atheneum in kwestie is het Gentse Koninklijk Atheneum en Inter
Nos was het niet zonder smaak uitgegeven mini-blad van het vrouwelijke
studentencontingent.
Liefhebbers van de Vlaamse letteren zullen de naam Ide wellicht kennen.
Hilda is de dochter van René Ide (1905-1969), de stichter en
voorzitter van de niet onbelangrijke Leesclub Boekuil. Die organisatie
werd kort na de bevrijding van Vlaanderen opgericht, op 30 december
1944. De leesclub was socialistisch en vrijzinnig gestemd, maar schuwde
geen enkele schrijver van welke signatuur ook. Belangrijkste activiteit
was de zaterdagse voordracht door een auteur, gevolgd door discussie
en signeren. Na een aanvankelijke start in een zaaltje van een kliniek
- de enige gelegenheden die in die eerste na-oorlogse winter verwarmd
waren - verhuisde men naar de Stadsbibliotheek. Herman Thiery, de
stadsbibliothecaris en beter bekend als de magisch-realistische auteur
Johan Daisne, zorgde daarvoor.
Een hele generatie kwam aan het woord: Hubert Lampo, Jan Schepens,
Raymond Herreman, Richard Minne. Louis Paul Boon las er op 5 november
1949 zijn Boontje's uitleenbibliotheek voor. Boekuil gaf de novelle
vervolgens uit. Een andere gewilde bibliofiele uitgave van de leesclub
stamt uit 1951: het vriendenboek ter gelegenheid van Richard Minnes
zestigste verjaardag. Alle Boekuil-uitgaven kregen een bandontwerp
en illustraties van Jozef Cantré. Ide was getrouwd met een
nicht van de houtsnedekunstenaar.
Het interview
met Elsschot vond plaats in huize Ide. Op de dag van een lezing kwamen
er traditiegetrouw schrijvers over de vloer. Bij koffie, glas en maaltijd
sprak men over literatuur en politiek. Elsschot zou die dag lezen
- en redactrice Hilda Ide trok de stoute schoenen aan. Inter Nos publiceerde
die jaargang interviews met schrijvers (Herreman, Jonckheere, Minne)
onder de titel 'Een uurtje met ...' en Elsschot zou een aanwinst voor
die reeks zijn. Hij stemde direct toe. 'Een uurtje met Willem Elsschot'
verscheen in Inter Nos van juni 1949.
Het was een enigszins curieus gesprek, omdat ook Richard Minne erbij
aanwezig was - en zijn mond niet dicht hield. Zijn aanwezigheid was
een gevolg van de omstandigheden. Minne was een echte huisvriend van
de Ides. Hij was ook 'over de vloer' die dag en schoof zijn stoel
bij. Voor de jonge Hilda Ide was dat een zekere opluchting. Zij kende
Minne meer dan goed, maar Elsschot helemaal niet; haar eerste ontmoeting
met zo'n groot schrijver boezemde haar enige onrust in. Niet zonder
opluchting noteerde ze dan ook dat Elsschot zich na een paar minuten
ontpopte als "een van de vriendelijkste mensen die ik ken".
Op een enkele rake one-liner na biedt het interview niets nieuws.
De sfeer was echter duidelijk ontspannen en Elsschot leek plezier
te hebben in de gebeurtenis. Met zijn Gentse compaan in de 'ironologie'
Minne erbij was dat wellicht ook niet verwonderlijk. De drie ingrepen
van Minne, vooral de laatste, zijn merkwaardige smaakmakers, waardoor
dit gesprek toch weer de moeite van het opgraven waard is.
Een uurtje
met Willem Elsschot
Daar ik Willem
Elsschot nog nooit te voren ontmoette, ben ik blij dat ook Richard
Minne gekomen is; van hem kan ik misschien hulp verwachten voor een
mogelijk interview.
Na een paar minuten ontpopt Elsschot zich als een van de vriendelijkste
mensen die ik ken. Gemoedelijk vertelt hij over de streek van Veurne,
waar hij graag zou wonen. Hij houdt van de vlakte met de wijde horizonten.
Urenlang zit hij baars te vissen, die natuurlijk niet wil bijten.
Richard Minne verkiest een afgelegen plekje in Frankrijk, midden in
een wijnstreek,
Aanstonds valt Elsschot in: hij houdt van wijn en spreekt er over
vol liefde, met de karige, kleurige adjectieven van een kenner. Af
en toe slaat hij een vaatje wijn in, dat hij dan zelf aftrekt in zijn
kelder. Enkele vrienden worden dan wel eens uitgenodigd om te helpen.
Op twee lege tonnen zijn een paar planken gelegd en de vrienden proeven.
Soms helpt er wel een. Eens bleef van een kwart-ton, dit is 80 liter,
ongeveer de helft over na de keuring der vrienden. Voorwaar beproefde
kenners.
Na wat over en weer gepraat over goede wijnstreken en goede wijnjaren,
vraagt Minne opeens: "Wel Hilda, wanneer begint het interview?"
"Hm", zegt Elsschot, "een behoorlijk interview moet
ge beginnen met een degelijke voorstelling van de betrokken persoon.
Zo'n soort pedigree. Voor mij is dat ongeveer:
Gehuwd? ja
kinderen? zes
kleinkinderen? elf, waaronder Tsjip,
Jan Maniewski, nog maar 16. Hij woont bij zijn moeder in Brussel.
Misschien neemt die ook nog een abonnement op Inter Nos, maar dat
moet ik toch betalen.
Voila, nu weet het geacht publiek wie het voor heeft, en kan het spel
beginnen."
"Waarom schrijft u?"
"Om er iets mee te verdienen. Vindt gij dat geen schoon antwoord?
Zoudt ge liever wat anders horen? Wel, in de hoop iets voort te brengen
dat me overleeft.
En vooral in de hoop de lieve lezeressen van Inter Nos welgevallig
te zijn."
"Heerlijk! Dat moet in een kaderke op het eerste blad komen.
Waarom schrijft u vooral proza?"
"Omdat ik moeilijk rijmen kan. Dat is echt waar, en als ik tot
elke prijs rijmen wil, dan kan ik niet precies uitdrukken wat ik wil
zeggen. Er zijn er misschien die dat wel kunnen."
"Schrijft u nog gedichten?"
"Nog eens een enkel gelegenheidsgedicht, maar zeer zelden."
"U bent begonnen met gedichten te schrijven?"
"Ja, voor 60 jaar, pardon voor 50 jaar. De eerste zijn verschenen
in "Alvoorder", dat is bijna 50 jaar dood."
"Van welk van uw werken houdt u het meest?"
"Van "Kaas". Ja, waarom? Waarom vindt
gij dat schilderij schoon?
Omdat ik daarin het pijnlijke beschreven heb van mijn commercièle
carrière (of handelscarrière, dat is schoner). Alleen
verkoop ik geen kaas, maar publiciteit. Ik heb echter kaas gekozen
om het aanschouwelijker te maken."
Minne: Dat is goed geantwoord. Zelfs heel serieus.
"Welke literatuur verkiest u?"
"De mijne. En daarna? Onmogelijk te bepalen.
Ik verkies geen bepaalde literatuur, maar goede schrijvers uit elke
literatuur. Wat ik "goede schrijvers" noem?
Die in mijn persoonlijke smaak vallen. Voorbeeld? Minne.
Maar ge moogt hem niet alleen zetten. Voeg er Gezelle en Jan Van Nijlen
bij, om bij de Vlamingen te blijven."
"Heeft u wat op het getouw?"
"Niets en ik heb niets klaar liggen. Ik hoop van ganser
harte van de literatuurziekte verlost te zijn."
"Maar heeft u tijdens uw verblijf in Frankrijk niet aan Franse
tijdschriften meegewerkt?"
"Neen, ik heb nooit in het Frans geschreven."
Minne: Maar Hilda, ge vergeet de kapitale vraag.
"En dat is?"
"Meneer, wat zult u doen met de 30.000 Fr. (in mijn tijd was
het minder) van de Staatsprijs?"
"Goede Franse wijn kopen, of voor de verandering eens Duitse!"
En zo ontspon zich een vrolijk gesprek over wijn en literatuur.
|