Home   |   Nieuws   |   Kalender   |   Contact
 

De genese van De Verlossing van Willem Elsschot

 
Zoek

 

Prof. Dr. M. Dr Smedt, Campusbibliothecaris Facuilteit Letteren, K.U. Leuven

 

Bestudering van de genese van een literair werk kan van groot nut zijn voor de kennis omtrent werkwijze en poeticale opvattingen van een auteur, en kan tevens heel wat sleutels tot interpretatie van het werk aan de hand doen. Ik zou ter illustratie van deze stellingen het ontstaan van Elsschots roman De Verlossing wat van naderbij willen beki-jken. Van dit werk zijn in het AMVC te Antwerpen een kladhandschrift, een nethand-schrift en een typoscript bewaard. Elsschot dateerde het nethandschrift op 1 april 1915. Het werk werd in 1916 in het tijdschrift Groot-Nederland gepubliceerd; pas in 1921 ver-scheen de eerste druk in boekvorm . In het kladhandschrift heet het verhaal nog De Doop, een verwijzing naar de doop van het driejarig jongetje op het eind van het werk. Het kladhandschrift bevat ook de eerste versie van Een Ontgoocheling, dat al in 1914 in Groot-Nederland was verschenen . De Verlossing is het relaas van de strijd tussen vrijdenker Pol Van Domburg en pastoor Kips, met culminatie in de moord die Pol op de pastoor pleegt; in tweede orde is er de boetedoening van Pols dochter Anna ter loutering van de misdaad van haar vader.

 

De eerste zin van De Verlossing is één van die typische aanvangszinnen van werk van Elsschot: "Van Domburg had zijne vrouw pas getrouwd toen zij al zwanger was" (p.1) . Bij ‘t verlaten van de kerk na de huwelijksplechtigheid zegt hem een oude kennis, na Pols vrouw Desideria te hebben aangekeken: "Heb je de koe dan tóch getrouwd, kameraad? Dan heb je ‘t kalf ook, hoor!" (p.1). Daar Van Domburg in die woorden er een allusie meent op te zien dat het kind niet van hem zou zijn, gaat hij Desideria geregeld afranselen "opdat zij hem maar alles zeggen zou. Doch Desideria bleef onwrikbaar en zwoer dat geen an-dere man haar ooit had bekend" (p.1).

 

Pol Van Domburg woont in het dorp Groendal waar hij een winkel heeft waarin "bijna alles wat buitenmenschen verbruiken" (p.7) te krijgen is. Net zoals de andere inwoners van het dorp huurt Pol huis en grond van de graaf, die alle grond in de streek bezit en niet geneigd is ervan te verkopen. Doch Pol kan door vriendschap met Robert, het zoontje van de graaf, via notaris Lamarche zijn huis en veld dan toch aankopen. Ter voorbereiding van de verkiezingen heeft op het dorp een socialistische meeting plaats, ingericht door Pols zwager Van Hemeldonck. Kips, de nieuwe pastoor, "een stuursche man, die maar één oog had" (p.47), maakt een einde aan de meeting. Wanneer Kips kort daarop ook komaf wil maken met het feit dat Pol zijn vrouw Sideria mishandelt, vangt de pastoor echter bot. Als reactie zorgt hij ervoor dat op zijn bevel de koster met een gelijkaardige zaak als die van Pol start en dat als gevolg daarvan Pols winkel leegloopt.

 

Wanneer Van Domburg iets tegen pastoor Kips wil ondernemen, maar zomin bij advocaat Verkammen als op het aartsbisschoppelijk paleis gehoor vindt, wordt hij een tijdlang aan-nemer; dat mislukt echter als blijkt dat een zogezegd uitstekend terrein in feite rot broek-land is, en Pol op die manier zijn zuurverdiend geld weer verliest.

 

Tot overmaat van ramp treden zijn twee oudste dochters in het klooster; alleen de jong-ste, Anna, blijft thuis. Wanneer Van Domburg ernstig ziek wordt (hij krijgt tering), gaat hij in zijn tegenspoed naar de jonge graaf Robert, in de hoop dat die of zijn vader iets tegen Kips kunnen on-dernemen. Robert ziet dat niet direct zitten, immers: "Tegen een pastoor is op het land geen kruid gewassen" (p.124), maar de oude graaf belooft toch de zaak te zullen onder-zoeken. Het draait echter slecht uit voor Pol. De op het kasteel ontboden pastoor Kips kan er met een allusie op Pols zwager en "dat rot socialisten" voor zorgen dat de graaf via notaris Lamarche een poging onderneemt om huis en grond van Pol terug te kopen. De notaris zal bij zijn bezoek aan Pol evenwel de deur gewezen worden.

 

Op zijn sterfbed ontbiedt Van Domburg een priester; hij schiet de bijgeroepen pastoor Kips neer; beiden sterven. Sideria sterft enkele maanden later. De thuisgebleven dochter Anna tenslotte hoopt de "verlossing" van haar vader alsnog te bewerken door een kwezelachtig leven te leiden, overvloedig te bidden, en tenslotte - als ultieme daad van verlossing - door het driejarig zoontje van haar neef Frits stiekem te laten dopen.

 

Het is merkwaardig dat in het eerste gedeelte van de grondlaag in het kladhandschrift de "setting" heel concreet is: Groendal is er Blauwberg, het gehucht van Herselt waar Elss-chot in zijn jeugdjaren vakanties doorbracht bij zijn oom Filip Van Elst, die er een kruiden-ierszaak had, en net als Pol Van Domburg een vrijdenker was die het met de pastoor aan de stok had. Zijn dochter heette Maria Josepha . In het eerste gedeelte van het kladhand-schrift heet Pol nog Flup, Sideria Bernardien en Anna Miejef (= Marie Joseph). De graaf is Graaf de Merode, die bezittingen heeft van Tongerloo tot Averbode; in een volgende laag wordt dat "van Wevelgem tot Negenbergen" (zo ook in het nethandschrift, het typoscript en de versie in Groot-Nederland); in de eerste druk wordt "Wevelgem" telkens vervan-gen door "Wevelingen", ofschoon een enkele keer verkeerdelijk "Wevelgem" is blijven staan (p.82). Wanneer Pol Van Domburg aan een handelaar in zeep vraagt of hij nog ver te gaan heeft, antwoordt deze in klad- en nethandschrift dat hij "over Wolfsdonk naar Averbode, Oxelaer en Diest" moet; Elsschot veranderde op het nethandschrift deze plaatsnamen respectievelijk in Wolfskuil, Negenbergen, Zandloo en Uilenburg. De auteur heeft met andere woorden van al de concrete namen naderhand fictieve gemaakt, en op die manier aan zijn roman de directe verwijzing naar de werkelijkheid ontnomen. Voor de goede orde: de reële figuur Filip Van Elst heeft de pastoor van Blauwberg niet vermoord. De auteur zou voor dit gegeven teruggaan op de moord op de pastoor van Nijlen anno 1842. Elsschot maakte zoals zo dikwijls met gegevens uit de realiteit een fictioneel werk .

 

De eerste laag van het kladhandschrift van De Verlossing is heel wat korter dan het uiteindelijk gedrukt werk. Elsschot heeft zijn verhaal vooral binnen de eerste hand-schriftelijke versie fel uitgebreid. Zo zijn b.v. de paar bladzijden over de vrijage van Van Domburgs dochter Anna (Miejef) met "een jongen uit Hersselt" zoals het oorspronkelijk luidt, in het kladhandschrift ter linkerzijde bijgeschreven (in de gedrukte versie komt de jongen uit "Boelaer" (Groot-Nederland, p.286-287; eerste druk, p.97-99). Ook de ont-moeting van pastoor Kips en de door tering getekende Pol ("een wandelend pak kleeren" zoals het in het handschrift staat) wordt op de versozijde nader uitgewerkt. Dit zijn nog relatief kleine aanvullingen binnen de "Flup"-laag van het handschrift (d.i. de laag waarin Pol nog Flup heet, Sideria Bernardien, Anna Miejef, etc…). Binnen het kladhandschrift worden de namen van een aantal protagonisten plus van een aantal plaatsnamen ge-wijzigd, en precies die wijzigingen maken het ons mogelijk, althans in grote trekken, de genese van De Verlossing vast te stellen.

 

In de loop van het schrijven aan zijn werk is Elsschot substantiële uitweidingen gaan in-lassen in reeds geschreven stukken. Die nieuwe fragmenten schreef hij achteraan in zijn cahier, dat hij daartoe in omgekeerde richting gebruikte. Het meest in ‘t oog springend fragment is de uitbreiding van het verhaal met de episode van de vriendschap tussen Pol (die dan nog Flup heet) en het jonge graafje Robert, en de verkoop van de grond en het huis aan Van Domburg (p.15-36). Op de plaats waar de passage over de verkoop van de grond ongeveer diende te worden ingelast in de tekst, schreef Elsschot op de linker-bladzijde in het handschrift: "Hier grond koopen".

 

De verkoop is een nieuw element in het verhaal dat de auteur toelaat de weigerachtige houding achteraf van de jonge graaf om het tegen Kips op te nemen, te introduceren. In de doorlopende tekst van het handschrift (op de rechterzijde) staat op een bepaalde plaats: "Hier bezoek >Flup> bij jongen graaf". Deze zin volgt, geschreven met an-dere inkt, op een geschrapte alinea, waarin het verhaal reeds veel dichter naar het eind gevoerd werd, vermits Flup er al op zijn sterfbed ligt. De zin verwijst naar een tweede passage die Elsschot eveneens achteraan in het handschrift heeft bijgeschreven (in de eerste druk is dit hoofdstuk XVII, nl. p.116-129). Flup (= Pol) probeert er de hulp van de jonge, ondertussen volwassen geworden graaf te krijgen in zijn strijd tegen Kips, doch de ontboden pastoor kan met verwijzing naar de socialistische meeting opgezet door Pols zwager de oude graaf en zijn zoon ervan overtuigen alles in het werk te stellen opdat Flup huis en grond opnieuw zou verkopen. Nu kon Elsschot notaris Lamarche ten tonele voeren, die door zijn aanbod aan Van Domburg zijn huis te verkopen - nota bene aan een sanatorium! - diens haat tegen pastoor Kips nog opdrijft, en aldus de wanhoopsdaad (het schot) aannemelijker maakt. Tot en met deze Lamarche-episode (in de eerste druk p.130-135) heet Pol in de eerste laag van het handschrift nog Flup, vanaf het vervolg daarop (Pol op zijn sterfbed, hfdst.XIX, p.138 en vlg.) krijgen we in de grondlaag verder de naam Pol.

 

De verkoop van de grond is derhalve een belangrijk functioneel element dat de auteur in zijn roman binnenbrengt: het thema van de strijd tussen Van Domburg en Kips met de uiteindelijke dramatische afloop wordt verder geëxpliciteerd.

 

In het kladhandschrift maken we het ontstaan van de naamsverandering van Flup naar Pol Van Domburg rechtstreeks mee. Immers, als derde aanvullende fragment achteraan zijn er twee pagina’s waarin Elsschot het begin van zijn werk heeft herschreven (waarna hij over de tekst twee kruisen heeft getrokken). Welnu, in die tekst gebruikt de auteur een vijftal keren de naam Edward, een naam die hij in de meeste gevallen weer heeft doorstreept. Wel blijven hier nog de namen Bernardien en Blauwberg overeind.

 

In het volgend aanvullend stuk achteraan is de naam Pol dan definitief geïntroduceerd. Het is de passage van de aankondiging en het plaatsvinden van de socialistische meeting georganiseerd door Pols zwager Van Hemeldonck (grosso modo p.44-57 in de eerste druk).

 

Voortbouwend op deze passus heeft Elsschot op de juiste plaats in het hand-schrift ter linkerzijde een vervolg bijgeschreven waarin Pols zuster en Van Hemeldonck zelf Pol toch tot enige voorzichtigheid aanmanen. Dit vervolg komt dan net vóór de reeds ter rechterzijde aanwezige passage waarin pastoor Kips op zondag aan de Litanie van alle Heiligen toevoegt: "Van Winkeliers zonder God" waarop dan de gelovige gemeen-schap verkeerdelijk "verhoor ons!" laat volgen, dat een repliek moest zijn op het hier te verwachten "Wij zondaren, wij bidden U" (eerste druk, p.70). In een volgend bijgeschreven stuk achteraan voert Elsschot koster Citroen op die Pol komt vertellen dat hij op bevel van pastoor Kips een winkel gaat openen, en volgt tevens de passage waarin Pol met de bedoeling iets tegen Kips te kunnen ondernemen respectiev-elijk naar advocaat Verkammen en naar het aartsbisschoppelijk paleis gaat. Op beide plaatsen vangt hij bot. Een aanvulling op deze passage staat dan weer op de linkerzijde ter hoogte van de passage waarin Lamarche Pol komt aanbieden zijn huis te verkopen. In deze aanvulling heeft Verkammen het over rechter De Vleeschhouwer van Wevelingen, "zoo paapsch als Wevelgem [sic]", en betrokken in een "reusachtige konkelarij in suiker-accijnzen".

 

Elsschots procédé is derhalve: hij introduceert een nieuw gegeven bij wijze van (min of meer uitvoerig) fragment achteraan in het handschrift, maakt ofwel vanuit de oorspronke-lijke tekst een verwijzing naar dat fragment, ofwel schrijft hij in andere gevallen een ver-volg erop ter linkerzijde in het handschrift, soms - zoals in het geval van de passage over rechter De Vleeschhouwer - niet op de juiste plaats in het manuscript. Waarbij volle-digheidshalve dient te worden opgemerkt dat de auteur de aanvullingen op de achteraan geschreven passages daar ter plaatse niet kon neerschrijven, vermits hij er de grondlaag doorlopend recto en verso schreef.

 

Reeds in de "Flup"-versie van de eerste laag van het kladhandschrift zijn er ter linkerzi-jde passages bijgeschreven die uitbreidingen zijn van de oorspronkelijke tekst. Zo staat tegenover de passage die achteraf in het eerste hoofdstuk terechtkomt en waarin het gaat over de slagen die Bernardien van Flup krijgt, de tekst van wat later het begin van het derde hoofdstuk wordt en waarin de graaf wordt geïntroduceerd. Ook de aanvulling dat de drie dochters van Bernardien en Flup wel eens in de rol van slaande vader, afger-anselde moeder en huilend kind kruipen, is op de linkerkant bijgeschreven. Of er is de passage waarin Flup besluit een gedeelte van zijn winkel om te vormen tot herberg, en zelf aannemer van bouwwerken te worden: op de linkerzijde is de tekst enigszins uitgebreid. Dit moet dan wel na het schrijven van de Lamarche-episode ge-weest zijn (cfr. supra), want Flup heet er al Pol. Anderzijds is ook dit slechts een over-gangsversie, immers Pol heeft er zijn voorraad aan winkelier Verwilgen overgemaakt (in de gedrukte versie bergt hij zijn voorraad op zolder op (Groot Nederland, p.282; 1ste druk, p.90), en hij koopt er grond in Diest: in Groot Nederland en in de eerste druk wordt dat Kielhoven (resp. p.283 en p.91). In de eerste laag ter rechterzijde stond er Westerloo, in een volgende laag op de linkerzijde stond eerst: "Hij kocht een stukje grond, nu eens in Diest, dan weer in Aerschot", wat na schrapping werd: "Hij kocht grond, te Diest". Op de volgende bladzijde is dan ter linkerzijde de noot toegevoegd dat de winst van de drie eerst gebouwde woningen verloren ging aan de bouw van de volgende vier omwille van de slechte toestand van het bouwterrein.

 

Tegenover de passage waarin Pols dochter (Pol heet er nog Flup) haar zonden biecht bij pastoor Kips en hem meedeelt dat haar vader ziek is, heeft Elsschot achteraf (want Flup heet er Pol) de morbide passage geschreven waarin Pol Van Domburg zijn hond Tom verdrinkt. Gemakshalve citeren we naar het nethandschrift, maar de passage staat zoals gezegd, met de nodige doorhalingen, ook al in het kladhandschrift. De passage opent met de zin: "Op een keer verdronk hij (= Pol) Tom in een poel, omdat het beest hem in den weg liep". Enkele regels verder heet het: " (…) toen hij (= de hond) Pol eens onder ‘t hoesten tusschen de beenen doorwipte, nam deze een gewicht van tien kilo en een touw, en Tom mocht mee naar de Kwacht. De Kwacht was een diep moeras tusschen Groendal en Wolfskuil, dat bijna onzichtbaar was van de plompen en ‘t watermos. Onderweg liep Tom /<-kwis> ter eere van Pol/ zijn laat-sten fietser onderstboven en kreeg kort daarop ‘t gewicht om zijn nek. Hij likte nadenkend zijn neus toen baas hem van den grond lichtte, viel een paar meters van den kant, ging dadelijk op zijn kop staan en schoot naar onder, nadat zijn pluim en zijn achterpooten nog even zichtbaar waren geweest aan de oppervlakte, tusschen ‘t groen. - Nu Kips nog" mompelde < Pol >> V.D. onder ‘t heengaan".

 

Deze passage kwam van het kladhandschrift in het nethandschrift en het typoscript terecht, maar is allicht als minder ter zake doende niet in de gedrukte versie opgenomen. In de tijdschriftversie (p.292) en in de eerste druk (p.108) vinden we alleen: "Op een keer verdronk hij zijn hond in een poel, omdat het beest hem in den weg liep". Het schrappen van de laatste zin is wel functioneel. Immers, wanneer Pol hier nu al zou alluderen op de moord op pastoor Kips, zou het verrassingseffect van het fatale schot later in het werk teloorgaan. Met deze passage krijgen we in ieder geval eerst een uitbreiding van het verhaal en daarna weer inkrimping ervan.

 

Ook in het nethandschrift zijn er enkele uitbreidingen te signaleren. Zo vinden we o.m. Anna’s bedenking dat haar vader in zijn stervensuur toch om een priester had geroepen, en derhalve niet in de hel maar in het vagevuur zit, ter linkerzijde in het nethandschrift bi-jgeschreven (Groot Nederland, p.361; 1ste druk, p.156). Meteen doet Anna een poging te berekenen hoeveel tijd ze zou nodig hebben om door bidden en offers haar vaders zon-den te boeten, maar in ieder geval is er uitzicht op "verlossing". In dit opzicht is deze korte uitweiding in het nethandschrift van cruciaal belang.

 

Bijgeschreven op de linkerzijde in het nethandschrift is ook de passus waarin Anna pog-ingen doet zoontje Willem van neef Frits de eerste beginselen van het katholieke leven bij te brengen, zodat de kleine na een week in de tuin al "Onze Vader die in den Hemel zijt" loopt te zingen "op de wijs der Brabançonne" (Groot Nederland, p.370-371; 1ste druk, p.177). "Dat heerlijke braakland" (zoontje Willem) diende namelijk te worden ontgonnen, met als culminatiepunt de doop van het kind waardoor de "verlossing" van Pol gereal-iseerd zou worden. Uitbreiding vindt soms ook nog in een latere versie dan de handschriftelijke plaats. De kostelijke passus over de verdorven meisjes die het in het klooster tot werkzuster kunnen brengen is noch in het klad-, noch in het nethandschrift, noch in het typoscript te vinden, en staat voor het eerst in de voorpublicatie in Groot Nederland (p.366-367; eerste druk, p.167-168).

 

De passage waarin Pol het fatale schot afvuurt op Kips is enigszins gewijzigd in de ge-drukte tekst. In het kladhandschrift antwoordt de getroffen pastoor Kips op Sideria’s vraag of het erg is: "Ik heb het > gedacht", en laat daar onmiddellijk op volgen: "Ik vergeef het hem". De gedrukte tekst luidt heel anders: Kips’ eerste reactie is er één van wraak; wel heeft hij daar onmiddellijk berouw over: - Ik heb het vooruit geweten," antwoordde Kips, met een blik die de vrouwen huiveren deed.

 

Hij sloot zijn oog en hield zijn adem in, als om de kracht te peilen waarover hij nog beschikte.
- Worgen zal ik je, laffe hond," verklaarde hij opeens, de trap opkruipend. Na een trede of vijf ging hij echter liggen, liet zich maar weer afglijden en begon jammerend te bidden:
- Mijn Heer en mijn God, het doet mij leed uit den grond van mijn hart dat ik Uwe goddeli-jke Majesteit en Goedheid vergramd heb…" (Groot Nederland, p.354; 1ste druk, p.143). Elsschots procédé kan als volgt worden omschreven: de auteur vertrekt van een beperkte nucleus, en breidt in steeds breder wordende kringen zijn verhaal uit tot het zijn definitieve structuur bereikt. In haar uitgave van Een Ontgoocheling heeft Annemarie Kets-Vree aangetoond dat Elsschot het van bij de aanvang aanwezige motief van de dubbele ontgoocheling van vader De Keizer (zijn afzetting als voorzitter van de kaartclub en de mislukking van zijn zoontje in de studies) in de loop van de genese steeds verder heeft uitgewerkt . Zelf hebben we een paar jaar geleden aangetoond dat Elsschot in Li-jmen de basisidee van het lijmen van laag naar laag en van versie naar versie steeds verder heeft uitgebreid, steeds meer vorm en inhoud heeft gegeven . En ook in Kaas heeft de auteur de kern van zijn verhaal in een aantal concentrische bewegingen laten uitdijen.

 

Het op het eerste gezicht rommelige kladmanuscript van De Verlossing waarin achteraan allerlei fragmenten bijgeschreven zijn waarop dan weer aanvullingen in en naast de oor-spronkelijke tekstlaag volgen, biedt bij nader inzien het voordeel de genese van de tekst van laag naar laag in grote trekken te kunnen reconstrueren, en aldus een bevoorrechte kijk te hebben op de werktafel van de auteur.

 

Een ander procédé dat typisch is voor Elsschot is het vertrekken vanuit de werkelijkheid, vanuit concrete toestanden, zelfs vanuit concrete persoons- en plaatsnamen zoals in De Verlossing, en de transformatie van die werkelijkheid met inbreng van fictionele elemen-ten. Op basis van de studie van het manuscript van De Verlossing wordt ons volkomen duidelijk vanuit welke concrete elementen de auteur vertrokken is. Bij wijze van coda geven we een voorbeeld van een ander aspect dat bij de studie van een auteursmanuscript aan bod komt, met name de mogelijkheid om van daaruit de ge-drukte tekst beter te kunnen duiden. Het gaat om de volgende passage: Wanneer Flup ten einde raad de jonge graaf gaat opzoeken, en de kasteelknecht hem de poort opent, staat er in de gedrukte versie: "In ‘t kasteel werd gegild, en wel ergens zeer dicht bij de poort. - Zit nou stil, je doet me zeer" smeekte een meisjesstem die beantwoord werd door het dieper gegrom van een manskerel, dat echter niet te verstaan was". En een paar regels verder: "Meteen trok de knecht de poort achter zich dicht, want binnen bleef het leventje zijn gang gaan" (Groot Nederland, p.297; 1ste druk, p.118). In het kladhandschrift ziet de passage er als volgt uit: "In ‘t kasteel <-klonk> werd gegild /, en wel ergens zeer dicht bij de poort./ - Zit nou stil <-,Frans, je doet me zeer> ik heb <-mijn> de regels" <-riep een> > smeekte een meisjesstem". En wat verder: "Meteen trok > de knecht de poort achter zich dicht, opdat Flup het leven niet hooren zou dat binnen zijn gang bleef gaan". Toegegeven: zonder de hulp van het kladhandschrift kunnen we deze passage ook be-grijpen, maar de lezing van het manuscript leert ons wel in welke context we dat "zeer doen" moeten duiden.

 

Dames en heren, We hebben in dit kort bestek slechts een paar aanzetten tot de studie van de genese van De Verlossing kunnen geven. Diepgaande bestudering van de handschriften van dit werk, net zoals dat ook met de andere overgeleverde handschriften van Elsschot moet gebeuren, kan allicht nog heel wat meer interessant materiaal inzake werkwijze en po-etica van de auteur aanbrengen.